98
schaduwden op lichtschuwen sneeuwgrond, als wemelende gedrochten uit chineesch schimmenspel.
— Jonges, schreeuwde agentje met vredestichtend timbre in z'n stem,.... hou jullie je nou kalm.... wa geeft 't nou !.. sukke herrie !.... goan jullie nou kalmpies uit mekoar !....
Woeling gierde er los uit den stoet, die nu weer vooruitstrompelend, in kring om alleene havenlantaarn duivelde, rossig, in wilde schijnsels.
— Barst jai, gilde Rink uit, jullie benne begonne.... laileke dood-van-ganzebord.... jullie sa'k levent f'rbrande.... aa's we je nie mosse fille....
— Kalm nou, kalm an, deemoedigde agentje, z'n sabel weer in de schee neerpuntend.
— Kalm, kalm, m'neer salm-salm, zang-gierde Piet.... komp bai de huur t'regt.... nou kort en goed, duufelstoe-joager.... aa's jai.... mi je k'rnuite.... aa's jai nie ofer-dwars te woater mot, ruk dan in.... mars!!
Schatering daverde öp uit den troep, meiden liepen gil-lawaaiend weer terug over loopplank. Donker gegons van aanpaffende sneeuwballen, verschimmend in kruisworpen naar agenten-kringetje, dat stil nu afweerde, bang voor ergere opwinding.
— Doe jullie je latjes weg, krijschte éen uit den stoet.
— Verdomd aa's de duufel jullie sette ken, verdomd,.... vloekte moedig klein agentje, — goan jullie nou deur.... mot 'r nou geranseld worde.
— Joa joa ! krijschten meiden.... kok-kok-kok !.... kokkok-kok !.... moeder weer 'n eai !....
— Op jullie bakkesse !.... die skar van 'n burgerfoader mö te woater.... galmden anderen weer.
— Smait sain onder de kar, breek se de strot, gierde Rink uit den stoet.
Een jolige meid duivelde plots vóór agentje, gaf 'm 'n ruk aan z'n baard, haastig in den donkeren stoet weer wegspringend, die al meer kwam aandreigen met zwarte harken, vorken en zware gereedschapbrokken.