97
uit z'n staf, onder lantaarn uit, twee nieuwe mannetjes aanzetten, sprongen wild uit den rossigen lichtkring met sabels de lucht invlijmend, maakten schijncharge om te laten voelen, dat 't ernst kon worden.
Uit de danszaal holden meiden, gillend in lawaai, en nieuwe kerels dromden aan, heet-nijdig op politie, drongen samen met vecht-stoet.
— Hak'ker puur op in, krijschte een agent, die lust had te ranselen, dwars door de dronken bende. Weer volgde van klein troepje dienders, 'n schijncharge. Achter karren, die schuin opstonden, met kruk de lucht in, vluchtte weg, donker gestoet van meidentroep naar wallekant, in angsthaast over glibbervuile loopplank dringend, naar tuindersboot. Achter kisten en manden uit, striemden steenen, hout en groentenvuil zwarte streepen door sneeuw-wemel, die als in stormhoozen weer wegwarrelde in andere richtingen.
Boven alle geweld uit krijschten de stemmen van Rink en Piet, dat sullie de kerels 't water in mosten douwen. Plots trokken ze allen, met brok-scheppen, hooi- en mestvorken, — die 'n paar kerels uit afslagloods bij 'n pakhuis hadden losgewerkt uit den rommel, —- op het viertallig agentenkringetje af, waar burgervader bleek-strak midden-in ordonneerde. De agentjes hadden de sabels ingehouen en de dronken stoet, in brullend gekrijsch en gefluit, drong weer, uit donkering van besneeuwde handkarren en kisten, in rossigen schemer van lantaarnlicht, midden op haventje, zwaaiend met scheppen, steekvorken, rij zenknuppels en boomstronken. Vooraan gilden dronken meidentronies, sommige woest-bleek beschenen, nat van sneeuw, met schuimige vlokken op neuzen, wenkbrauwen en oogranden. De burgervader, voelend dat ie te sterk had ingezet, schuchterde achteruit, wou 't z'n klein agentje weer zoetjes laten bijleggen. Aarzeling was er, die de stoet voelde, want raker en striemender bonkten steenen, koolstruiken en hand-ingekneusde sneeuwballen in 't kringetje, waarvan burgervader mikpunt werd. Klein agentje trad even weer uit den kring, vlak voor de donkere woelige bende, kerels die slag-
7