94
— Laileke skarretje.... wa mo jai d'r van !
— Kaik ie tippele.... so glad aa's 'n flesch....
— Debies jai.... ik stink tog nie suur.... duufelstoe-joager!
— Jai ? an main jassie.... sie ie main van veure.... kaik
nou doar '____En wild draaide furie om, met haar achterste
hoog opwippend naar 'm toe, in dwazen hoonenden wellust-sprong.
— Vuile kwieb !....
— Mö je se maid siene.... puur soo breed aa's hai.... soo pot !---- soo pan !.... gierde 'n kleine furie.
— Enn jai dan prop---- onder- en boofe-deurtje !.... mit
je lange skele rot van 'n vraier....
— Debies, tartte de forsche meid weer, spitisger met 'r duim langs glimkin strijkend, in duivelend scherp gebaar, rooie tonglap er hoonend uitpuntend.
— Dubbel-debies jai muurvarke !.... stoppelkat !.. gaif jai je kindere te vrete!....
Plots opgestookt door verstoorde bende die dansen wou, kwam goeiig politie-mannetje, verlegen aan z'n rossige bakkebaard aaiend, tusschen de ruzie-lijven staan.
— Blaif jullie nou je fesoen houe.... toe nou.... kalm an.... kalm an.... jai die weg uit.... en jai die. — Zacht begon ie den polderreus te verduwen, die beenplakte, als 'n rots onwrikbaar, uitdagend, met z'n moker-armen tegen muzikantenhekje bombardeerend, dat de kerels trilden achter walmlicht. Rink's groen-valsche oogen, lichtten als fosfor, don-ker-woest diep in z'n ruwen kop verdoken. Ruzie was geslabakt en wilde warrel joeg weer door de loods, die walm-zwaar pafte, in stofpoeier boven het geschetter, dat rood-sferig brandde. De koperen instrumenten van blazers flitsten in licht-glimsels. — Toortsig-helsch en satanisch, dreunden donkere monden van trombones, hun zwaarlijvige tonen den stankwalm in, dat wanden te barsten dreigden; fel boorden de hoorn-stooten als priemend geluid door de broeiing ; schommelend gingen de lijven weer in rhytmisch gehobbel, in koorts van draai en tolling,