95
geilde de zwijmeldans weer door de loods, in rossigen rook, die meid-gezichten schroeide en oranjerig-rood begloeide in .zwelling van bezweete huid.
Piet zoende in 'n storm, tien meiden te gelijk, achter den arm van hun dansers, waarin ze omschroefd pletten, en met Rink achter 'm aan, wien hij iets in 't oor schreeuwde, drong ie naar den uitgang.
— Wie main lief hep, volgt main !....
'n Twintig kerels hadden 't sein begrepen. Buiten, op de verwittende havenkaai zouen ze ruim-rustig kunnen zuipen. .Zacht vlokte sneeuw neer, wemel-schimmig op zwak lichtend haventje. Vlak bij tuindersboot, die donkerde in watertje, met fel-groen ooglichtje half-mast, holden en slinger-lijzigden de kerels aan, donkere stoet in wittigen vlokwarrel, schuw, om lantaarn-paal, die rossig-goud hun tronies beschemerde tegen nacht-duister. Piet en Rink smakten zich in de sneeuw, plat op hun achterste, met beenen vooruit, en schimmig cirkelde heele stoet, neergesmakt op straat, schimmig en scha-duw-vreemd, zwakkelijk verrood in den gouïgen vlokkenmist onder lantaarn-paallicht. Achter de zuipers verwitten stil, huizen en boomgestalten, karren en manden. Inééngekromde pak-huizenrij, waarop bang-wild, rossige schijnselkring van kleine lantaarn, makabren donk'ren bronsgloed kaatste, school droef weg in diepe droomtonen achter sneeuw-wemeling. En geheim-zacht in 't rosse licht daar, zweefden de vlokken voor de droeve vensterblinden en schemerluikjes.
Piet had 'n groote kruik onder z'n jekker uitgehaald. Rink presenteerde 'n diendertje. Gretig ging rond nu in den kring mank glas en kruik, tot 't onder beestig, koortsig-heet ge-krijsch bij Piet weer terugkeerde. Kannibalig donkerde de hurkende zuipstoet, in den licht-schichtigen lantaarnkring en bang-groot slagschaduwden hun handen, koppen en lijven bij slingergebaren dooreen, in paarsdiepe silhouetten op rossigen, trillenden sneeuwgrond. Lallend zangden de heesche beest-stemmen. Even van kerels af, die in 't vlok-schimmige als bedouïnen-stoet in sneeuw-nacht woelden, — kwam angst-