222
Ko Pijpelak, de bange, argelooze en quasi-opbruisende, wou zichzelf opschroeven in moed en aan zijn eigen driftverschrikkelijkheid gaan gelooven.
— Allejesus Karei... ik bin nie gauw nijdig... maar as... as ik tug 'ns nijdig wor... as... as... as ik kwaad wor,... dan ete se nog geen pap mit klontjes bij me!...
Karei gierde om plots-moedig-geworden opschepper-Ko. Hij zag nog zoo de tranen op zijn benauwde, groengrauwe gezicht biggelen,... die dooie brasem met zijn muffe sausluchie. Die kous was af! En nou deed die angstige Pijpelak koen en manhaftig, onder zijn ophitsend bestier.
— Knap soo,... spotte Karei,... geef jij se maar fan klets-klets... Nie sikeneurig, kwikstaart!... Gaan jij maar klinkemutse op karrewei mit je liefe Trui en stap maar dapper in de mannekuil, Ko!
— As... as ik kwaad wor,... dreigde Pijpelak weer, spannend zijn pezen...
— Dik in orde, meester,,.. gierde Karei,... glij maar ofer 't asfalt... Haal jij maar foor de schrik wat onder-de-kurk bij Ouwe Droppel... en maf se!
Karei beloofde dien nikker van een schilder op te zullen zoeken.
— Hij krijgt op se jak soofeul astie lust, Trui... foor de goksie,... maar hij lust niks!... joolde Karei.
En tegelijk drong hij er op aan, voort te maken, anders zou de politie gaan afstempelen. Dié slokkers dregde hij liever uit de Prinsengracht op.
De vrouw van Ko Pijpelak jammerde naar Karei, dat ze in zoo een vuilen boel, zonder dat er een hand was schoongemaakt, toch niet kon gaan wonen ? Hoe zou ze zich kunnen roeren?
Karei stoof op, woedend:
— Hoor es Trui... sluit je kake of roep Jan de Likkert,... daar staant-ie... die likt de boel wel foor je skoon... Of leit-ie soms as Moses in se biese kissie te sluimere op de fliet tut de kermisweek fóór Pasche?... Oele!.. D'r op
Mannekuil: bed. — Goksie: voor niets. —