219
en schuw, sterk-riekende Ko Pijpelak en zijn vrouw en allerlei ontdane, overmoedig-lachende, spottende of ontstelde buren-gezichten. Zij loerden allen alsof Burk een diefstal had gepleegd. Drommedaris met zijn hoogen rug, verklaarde overijld plechtig, dat er niets aanwezig was in de heele kamer. Al de nieuwsgierige koppen keken op tegen gordijnlooze en kale vensters, tegen vervuilde muren, waarop groote, grillige vochtvlekken velerlei gedrochtelijke gestalten hadden uitgevreten in de morsige kalk.
Verachtelijk trapte Mooie Karei een wrak-afgeschilferd krukje om tegen een manken, beklodderden, donkergroenen verf-ezel.
— Wèg mit dat brandhout!
— Och, och Karei!
— Wèg mit dat varkesgras...
— Guns Karei... maak geen schorempies en bran je hande nie!... riep met benauwde stem en boosaardig-wantrouwelijk gezicht, Thijs Stompie.
— Hande brande?
Karel's oogen gloeiden hel licht af.
— Netuulik... het is d'r ommers soofeul as braak... Je krenkt 'n aars eigedom!...
— Op Hartjesdag... as me fader 'n bok slacht mit dolle kerfel, mag je me raje Thijs... Pas op... of ik rek je uit as me janker!... donderde Karei nu met schrikkelijke stem,
— Maar,.. maar...
Karei stampte op den grond. Zijn wijd-gesperde oogen gloeiden en aan zijn gouden kuif ontspatte licht.
— Och, allemansbuur... spijtig felletje-.. jou salie se niks make hoor!... Lik jij maar fijn soethoutsuiker fan je feeme, pronkend goudhaantje! ... Ik slaan 'n gulde plat as 'n riksdaalder en jij betaalt 'r twee-fijftig mee... Kom, laène we ons out gaèn lange,... spotte hij in Scheveningerstaal, den pas op den Zeedijk gesproken stiekemerd na.
— Me hart klopt me kepleet in me keel... zuchtte Bet Bleekpoeier,... het gaant rikketikketak soo flug!
Schorempies: grapjes. — Janker: harmonica. — Feemen: vinger3. — Out: hout. —