306
twee zakken erop, om de schommelende handen in te bergen, ...tót een verlekkerde krabbedaaier haar een paar blauwe luikjes sloeg uit kreunende jaloerschigheid. Even uit het gezicht van Thijs en Ant, waagde ze er alles op, de blonde, mooie Alie. Dan, zonder haar Bram, 's avonds tippelippelen op den Zeedijk bij Frits Ruska, bij Barend Jansen, in ״Scandinavië" en in het warme stoofje van Joden Sien. Zelfs waagde de deern zich bij Seur, op de Juliana-dansschool; op het Kolkje bij Piet de Schenker, waar ze zich de kluisgaten uitkeek. In dié meid gloeide het heete, wulpsche bloed van de Burkjes en al hun avontuurlijke lichtvaardigheid, al was haar oogopslag als van een nonnetje. Dat snee je er niet uit, met geen kortjan!
Karei stapte regelrecht den Zeedijk op. Oele! Het was er stil en saai. Overal leege kroegen, pas uitgeboend, die donkerden als smalle, scheemrige alkoven. Hier een onuit-geslapen bakkes van een kruimeldief, daar even schichtig voor een slop, de roode flapperdas van een souteneur en een beenig-bleeke kop op de loer.
Twee hei-opgedirkte meiden klampten Karei dadelijk heet aan. Op hun groote hoeden zwaaiden zwaar van pronk, zwierig-lichtblauwe struisveeren, nagebootst.
— Ippes Karei... niks omhande ?
Karei lachte en joolde terug:
— Spinrag op me brood... ik pees nie meer.
— Skep nie soo óp!
— 'n Onsie weet wat 'n onsie weegt.
— Opskeppe?... Ik kom al twee ton tekort an me mart-spieje... Nou gaan ikke 'n kaartje uitkruise... meskien hep ik sjans!
— Eefegoed krijge we 'n klinkertje hè?
Karei duwde terug.
— Ga wèg, hobbelpaard fan Willem III,... lachte hij naar een waggelend dikkertje, dat om bier bedelde... ik begrijp je nie,... ik bin altoos soo kort fan begrip hè... en jij hep 'n babbels as de derdedaagsche koorts...
— Schuwbarig!... schrok deze gemaakt.
Krabbedaaier: vechter. — Luikjes: oogen. — Kluisgaten, dito. — Kortjan: matrozenmes. —. Pees: werk. — Klinkertje: glaasje. —