199
met zijn stok, liep Frans in het avonddonker zijn vrienden tegemoet met een gesmoorden kreet in de keel.
Harmen's gezicht leek een brandewijn-pot, waarin de vlam geslagen was en Daan Blikkie, kleverig, voelde zijn haren tot op het hoofd druipen van zweet. Zij popelden om zich wieberig te maken. Daan Blikkie zuchtte, dat dié gedwongen kalmte zenuwkracht verslond.
— Zweven,... zei Frans met onderstem, kort, toen hij bij hen stond en den hoek omsloeg.
Alderlei brutale inbraken volgden snel elkaar op. Een der hachelijkste leek Frans nog bijgebleven, om het helle gelukken en om de verzaligende vreugde over den buit.
Zij hadden een valletje open gekregen van een rentenier. Het was de zoete gril van Frans geweest. Frans het eerst, ging op onderzoek uit; eenige spektakel-avonden achter elkaar. Frans leefde weer in een koortsroes en onder een heete betoovering. Hij bedacht uren-lang verborgene vragen. Er was geen feller en prangender genot voor hem, dan zich door een warnet van tegenstrijdige mededeelingen heen te sleuren; wat eerst ondoorzichtig en ver leek, zoo heelemaal met zijn eigen geestesmacht naar zich toe te trekken. Frans' mooiste plannetje schoot hem te binnen 's nachts naar huis slenterend, toen er juist klinkend klokgelui zong van een hoogen, schimmigen toren.
Na alderlei uitpluisels bleek: de rijke rentenier, die met zulke jichtstappen sjouwde, was een weduwnaar en bij hem in woonde een Friesche huishoudster. Frans had uitgehoord... heel knus en huiselijk leefden die twee, schandalig aan elkaar verknocht; zich dag en nacht aan eikaars gezelschap vergapend. Was de rentenier niet thuis, dan bleef de paffe lieveling waaks; trok zij er op uit, dan plakte hij zich op de meubels. Al vijf keer had Frans haar zien uitgaan; een zware vrouw, pronkend met een overal heenblinkende, gouden bagge op haar maanronden kop. En hoeveel maal had hij hém al niet zien zitten, in zijn bebloemden mansrok. De jongens gierden
Wieberig: uit de voeten. — Zweven: aan den haal gaan. — Valletje open: een gelegenheid tot stelen. —