stilte, Daubigny gekeken en naar Mauve, in het oude museum, en het moderne in de Modernen was hij met een rilling voorbijgegaan, met een rilling van niet-begrijpen en van ontzettend, nietig en hulpeloos-inferieur zich voelen aan al deze daverende macht hunner uitingen. Hij verschrompelde geheel onder de snij dende, hatende verbeelding, de tartende cerebrale woede en bezetenheid der schimp-jongeren. Toch onderging hij het ironische, het onwrikkelijke, saam-gedrongene van hun arbeid, het schrijnend-symbolieke, wreed-nuchtere en grillig-strijd-lustige onder de moderne landschap-schilders.. Ontzachlijk-somber, tragisch en nog veel op-gezweepter en zenuw-angstiger dan van Van Gogh, vond hij de landschap-visioenen van Böckstiegel en Kohlhoff,... de verschrikkingstragiek van Pechstein en de Milletachtige figuur-vergeestelijking van Zille. Maar wanneer hij een uur later naar Rembrandt keek, dan sidderde in hem toch heel iets anders; iets zoo gelukzaligs, dat hij nau welijks durf de ademen.. En wanneer hij keek naar al de Ouden, alleen al naar een Jan Vermeer van Delft, die zoo verrukkelijk schilderde alles wat je zién kon en wat je toch nooit zóó gezien had,. . . dan kwam de rust in hem, diepe rust en levensvrede . . .
56