:421
was voor den Rebbe het twééde gebod, na de liefde voor God... O, een man om al je narigheid en onrust te biechten. Maar wat zeurden de geTcke, vlegelachtige spotjongens, die grauwe gieren van broers toch van tante Truddie en haar sjadjenes-plannen? Dat zóó iets tante Truddie alleen genoegdoening verschafte? Ze lachte stilletjes, Rebecca, in haar ingebouwd keukentje. En in haar oogen zonk weer weifelend heimwee... Zij en zich laten sjadjenen!... Wat een blaam! O, ze dacht niet eens aan de mogelijkheid van iets te künnen sjadjenen, met haar en dien schuch-teren, geleerden jongeman. Zeker, ze vond hem een fijn mensch; stil, rustig en natuurlijk zoo heel anders dan al de ruwe en zwetserige opscheppers in de buurt. Maar er was toch ook iets heel wonderlijks in haar gebeurd. Dat gevoel had ze nog nooit doorleefd. Hoe kon zij zoo lang en onder zulke vreemde rillingen aan een jongeman denken en telkens over zijn gezicht, zijn oogen, zijn gestalte na-mijmeren? En daarbij heel verward zijn en ontroeren? Van Reintje zag en hoorde ze toch veel. Die, als jong meisje, miste iedere schaamte tegenover mannen. Zooals die, met haar schmink en geverfde lippen en oogharen, flirtte en lokte! Zooals Reintje van het atelier, in ieder's aanschijn, zich met dans en uitgaan vermaakte...... Hoe durfde ze het bestaan? Was zij,
Rebecca, dan zoo duf, zoo kleinzielig en bekrompen, dat ze zichzelf betrapte op voortdurend peinzen over een jongeman en dat iets heel mals en angstigs in zichzelve vond? Maar den standwerker Dennie Goudswaard, den oolijken vriend van Jaap vond ze levenslustiger; ook knapper, met zijn blonde kuif en lichte, beschroomde oogen en zijn lief lachje, dat zoo onverwachts en speelsch zijn goochem gezicht inéén vermooide. Eigenlijk gek... ze had dien jongen geleerde nog nooit hooren spreken! Als die vreemde jongeman maar eens wat zei. Dat verrukte kijken, och, gaf ze niet veel om. Ze hield niet van blikken-vleierij. Hij moest eens iets zéggen. Want vader, neen vader, cazuweel... die bestaarde den jongen man als een wonder, al begreep hij, naar hij zelf erkende, van
Sjadjenen: koppelen.