:416
Bram bewreef de kleine oortjes en gooide zijn zwarte kuif een anderen kant uit...
— De goeiigheid in eige pirzoon!... 'n Schrat van 'n mensch... In de vreugdedage helpt ie 'n ieder!...
Josua groeide van geluk en verschoof het rood keppeltje, bij zijn jongsten zoon's verdedigende woorden. Zoo iets openhartigs en vast-van-inzicht had hij niet gezocht achter Bram.
De duimen wreven heftig.
— O ja,... viel scherp Jaap in, met verwrongen mondtrekken,... hij duwt an-'n-straks je kar. Enne... enne jouw, Moos... schrenkt ie 'n meier handelsgeld voor schaure te koope...
Josua mompelde iets wreveligs en zwartgekuifde Bram zweeg maar liever. Zijn regenboogkleurige oogen wisselden angstige glanzen van schrik.
Sem vuurde los. De zinnelijke lippen zwollen dik van drift:
— Adaeroy... Pader slikt wat in... groote gein... hij heb durf-koerage!... Nöjanönee... de goeiigheid van rebbe Herschel slikt ie in!... Wat ik je brom,
geen link...... de rebbe verlost 'm van ze louwloene,
van ze vierhoog-stinkwoninkie en ze verdiepink van
rotte balleke...... Alleenig duurt 't van Nisan tut
Adar... Zal je ja beleve... Verdiene me schruive
lood an 'm...... want hij heb zeivers ontroerende
goedere... die meschoemad!
— En die vreemde sjammes, die frotte Pollek, die dobbelaar die ie bij zik had,... viel Jaap weer bij,...
komp bij je slape, wach effe...... op je stjinkende
vlierinkie... Zelle we óók beleve... zóó van je gok-bajes...
— Hij heb eige huisies!... kreet Moos.
— Huisies?
— Ja, an ze tefilien!...
Sem gierde...
Meier: honderd gulden. — Schaure: koopwaar. — Pader (Padre): vader. — Louwloene: onspoed. — Van Nisan tot Adar: van eerste tot laatste maand van het jaar. — Ontroerende: onroerende. — Meschoemad: afvallige jood. — Sjammes: kerkkoster. — Gokbajes: speelhol. — Tefilien: gebedsriemen op den linker bovenarm en boven het voorhoofd gedragen, waarop ״huisjes" waarin op perkament, vier afdee-lingen uit de Thora geschreven zijn.