:415
bonsde en een nerveuze jeuk overbrandde zijn heele lichaam. Hij, die de feesten veracht, verbeurt een deel van het eeuwige leven,... stond er geschreven.
Josua ademde van Paasch tot het eind van Pinksteren, met den Gnomertijd er tusschenin, al in een onaardsch geluk, een heiligheids-gevoel dat binnen in hem brandde. Eenige dagen vóór zes en zeven
Siwan, doorleefde hij al een vreemde huivering......
Chagsjaboegnoth! Het heilige feest-der-weken......
Toch rukten de ruwe jongens hem telkens uit zijn vroom gepeins.
Moos krenkte moedwillig zijn orthodoxen vader, om Sem Bullebak te steunen:
— Voor wat al die drokkie?... Staand mijn verstand bij stil, nóh!... Hellepe je zik uit de gezeire?... Geen loefie waard!...
Zijn kippige oogen loerden valsch naar Josua...
—־ Allemaal getijsem, die vrome huichelaars, die halleve heilige... Valle dood op 'n spie... Zegge 't nachtgebed... pas op je zakkef...
Onverwachts sprong hij naar het venster, vlak op Josua's gezicht. Hij grinnikte...
— Zeg vader, ik heb tien pieke broodnoodig......
Vraag uws Roebie, of ie mijn tien gulde leent......
Hoef ie me maar vijf te geve... Krijg ikke nóg vijf van hém... Maar hij krijg dan nog vijf van mijn!... Binne we kiet!...
Rebecca keek ontsteld en viel verontwaardigd tegen Moos uit:
— Is dan alles geld, géld bij jullie?
— In joü bestek niét!... snauwde Jaap.
— Nee, nee!...
— Oser!
— Zwijg narrente! Ik doen 'r toch geen linkdajim op!......
Josua. in stilte, zegende zijn jongste kind. Ook Bram, de karakterlooze, de iedereen-gelijk-