:413
gezicht, keek heel hulpbehoevend en schichtig, alsof hij steeds iets vreesde. Hij geleek een zoon van rabbi Jizchok Lurja, den grooten zestiende-eeuwschen dweep-kabbalist.
Toen Rebecca de koffie kwam brengen en zij Igmaniz, met haar heerlijke, goudbruine oogen even snel opnam en iets zachts zei, — de weemoedig-heldere stem klonk donzig, — schoof de Galiciër nerveus, doodelijk-beleefd-verlegen op zijn stoel heen en weer. Hij wist niet, hoe hij zijn kopje uit die meisjeshandjes zou aanpakken.
Rebecca begoochelde hem volkomen. Hij stotterde, als een verliefde schooljongen, iets van: d.ank u... o ja, dank u wel!... Hij voelde heel de Kevoneh uit zijn wezen wegzinken.
Slank en licht ging en kwam Rebecca, heel vlug van bewegingen, en hij durfde haar niet na te kijken, zoolang ze nog te zien was.
Ook rebbe Herschel's zachtdonkere oogen glinsterden nog sterker dan zijn bril, wanneer Rebecca verscheen. Maar hij geraakte gauw tot bezinning. Hij. de vrome kenner en aanhanger van Hillel, de diepe vereerder van Rabbi Jochanan ben Zakkai, edelen leerling van Hillel en Sammai, hij zoo ontroerd door de schoonheid en liefheid van een Joodsche maagd?',.. Een sprookje!
De verlegen geleerde echter, keek heelemaal van streek, zoolang dit wondermooie jonge meisje in de omgeving bleef.
Rebecca bevroedde vaag zijn vreemde verlegenheid, kleurde en liep haastig de keuken in. Ze had éérst gedacht een zwart-gekaftanden Oost-Jood te zullen
zien, met róóden baard. En nu...... verscheen een
modern correct gekleede Amsterdammer.
Rebbe Herschel, om af te leiden, vertelde Josua Hereira wat van zijn wedervaren op armenbezoeken. Het was voor hem een goddelijk gebod gelijk; behoorde bij zijn belofte, ter eere van den Eeuwige. En wat een mensch belooft, zegt de Overlevering, moet hij nakomen. Want vanouds leerden de oudste rabo-nim... uw ja zij ja en uw neen zij neen!...
Kevoneh: een sterk-geconcentreerde aandacht, bijna boven-aardsch.