:408
Henri sprak met de heeren nog verder over de inzinkingsperiode, door valuta's veroorzaakt en over het verdwijnen van zooveel oorlogs-kapitalen......
— Waar ging het?... Waar bleef het?...
Fontein maakte gebroken gebaren en meende, dat
er toch nog genoeg hotsend schorem uit Ghetto'sche huifkarren was overgebleven, dat vóór den oorlog niks was en nou nog met groote babbels rondschar-remaaide...
Opnieuw keerde het gesprek op de crisis terug, die de geheele industrie verlamde.
Rozenheim was al zijn optimisme, al zijn levensdriftige zelfbedwelming kwijt en ook al zijn verlangen, om narigheid en zaken-tegenslag te verheimelijken. Er bestond geen koopkracht meer in Amerika. Er ging nergens wat om. Er was geen productie, maar ook geen consumptie! De Beurs-catastrophe had het publiek verdwaasd van schrik. De malaise van nu blééf, al had de fondsen-crisis op den diamantprijs zélf geen vat gekregen...
De Amerikanen van Vijfde Avenue, stemden in. Ook zij verlangden den bonafiden handel en vervloekten de smokkelarij en de moord-concurrentie. Zij belichtten de toestanden van hun kant, hun kennis van de praktijk; de oudste importer, dikdoenerig, blufferig en in reclame-stijl......
Fontein trapte naar Moro's temerij, viel schel uit:
— As je knoeit, as je vervalscht... ken je altijd vet blijve...
Maar Henri weigerde het geval individueel te behandelen. De concurrentie van Duitschland, van België, hun buiten-industrie, de plattelands-toestanden vermóórdden de heele nijverheid! Al werd dit ook straal geloochend door optimisten of belangzuchtigen. Daar kon op den duur niemand meer tegen vechten. Henri vergeleek de crisis van heden met die van 1922. De plattelands-concurrentie bleek in menig opzicht nog veel schrikkelijker dan een daling van geslepen-uitvoer naar Amerika. De Bondsleider zelf, aie altijd hoopgevend schreef, kloek en klaar en zonder moeds-inzinking, erkende het uitdrukkelijker dan ooit.