:398
Zelfs gevoellooze Leo lachte en onder dit fier-patïiotiscli opduiken van Papa, sloeg hij zijn papieren lenteroman-idylle dicht.
Allen keken extatisch. Ook Robert's fletsblauwe oogen begonnen te glanzen van nationaal-oranjesche bewogenheid.
Alleen Jonas Fontein bleef bits, nuchter en wrevelig; staarde strak het vreemde vensterlicht in, dat nu schitterde als broos blauw draadglas, tusschen ijle lijnfiguren. Hij vond alles geklets, van Robert en van de anderen; een ״sebtiele' en smuigerige comedie, met onderlinge bewilliginae in elkaar geflanst. Voor hem was de kiesief gebroken. Walmende nachtpitjes, mit recht... Non!... Noh! Voor zijn part liepen ze allemaal naar de sjaltertieje. Dajeinoe! Hij walgde van al die zalvende zelfingenomenheid.
Weer hervatte Van Nienhuizen:
— Toen heeft hier meneer Rozenheim een rol gespeeld, waarvan de wereld niets afwist... Hij heeft zich het éérst heftig verzet tegen een machtig juwelier, onder ons, die groote geslepen-inkoopen wou doen, vér beneden de waarde. Bond en werkgevers stonden vereend. Als één de Amsterdamsche markt toén had kunnen bederven en vernietigen, dan wel meneer Rozenheim, al was hij in hoofdzaak commissionnair in geslepen diamant...
Henri sprong bij. viel zóó verontwaardigd uit dat zelfs in Leo's ironisch gezicht de epicuristische spotglimlach verschoot:
— Robert, ik wil deze dingen absoluut niet besproken hebben in het openbaar, dat weet je!... Het dient tot niets!
— Ik vertel ten deele bekénde geschiedenis, meneer Rozenheim. De wereld mag toch wel weten, hoe u en hoe eenige andere kooplieden en groote juweliers, den geest van moed, van volhouden en energie erin gehouden hebben, in de vreeselijkste uren van angst... en hoe juist üw voorbeeld fascineerde... Dat is toch van voren tot achteren waar?...
Amerikanen en Armeniërs stemden vurig in.
Kiesjief: kisoef: tooverij. — Sjaltertieje: weg. — Dajeinoe: meer dan voldoende. Heb er genoeg van!