:393
zich in het vak voorspellen. De heeren moesten zich maar eens herinneren, zestien jaar terug, in 1914, al
maanden voor den oorlog...... ik zelf was nog een
״broekje"......
Bernard van Beem schudde heftig-ontkennend het hoofd en zwaaide de armen wijduit en schreeuwde:
— Onzin... onzin... niks dan onzin!
Jonas' gittenoogen glunderden. Zoo'n snotaap, zoo
'n wandelrietje kwam haarlie de les lezen...... mit
recht! Als die nar, die lange slungel Leo nou maar zijn mallen bek hield. Die bracht telkens den heelen boel in de war, met zijn gestudeerde narrisjkat! Zat hij nooit te pronken op het terras van „American"?
Eenige cliënten, die heel gebrekkig Hollandsch verstonden, schudden afkeurend het hoofd. Zoodra het financieele en commercieele bolwerk Bernard van Beem, de machtige, joviale juwelier, „neen" schudde, mochten en konden zij, al begrepen zij luttel van het gesprokene, méé-loocnenen; bestond er geen gevaar meer.
Maar Van Nienhuizen liet zich, door opgeblazenheid en machtsposities en blind dwingen van gezags-menschen, niet uit den koers duwen, al was het Bernard van Beem in hoogst-eigen-persoon tegen wien hij oproeien moest.
Een dwaas wrangheidje van Leo, — eigenlijk een hindernis, — onder een gluiperig lachje uitgegooid, overtroefde Robert snel, door Mr. Rozenheim hoog-hartiglijk te verwijzen naar het broze genot van zijn „lenteromannetje". Toen, heel vrij van taal, ging Robert verder...
Herinnerden de heeren zich nog de opschudding, de paniek in het vak, éven voor den oorlog? Snoven zij nog de modderpoel? Herinnerden zij zich nog de
Êaniek op de geslepen-markt? Op de groote en kleine leurs? De kleine koopluitjes stikten, als visschen op het droge gesleept...
Met raspend venijn wees Robert er op, hoe benauwd het de zoogenaamde „middenstandertjes" toen hadden gekregen. Er was nergens meer lucht te happen. Ze sprongen van benauwdheid. Wanneer de Beurs