:392
Jonas, moedwillig, versperde den gehaten Moro den weg en sabbelde zijn sigaar stuk van drift. Hij dreigde:
— Noh... nóh!... "Wat... wat dan?...
— Wat dan?
— Ja, ja... wat dan?
Moro glimlachte giftig en Robert kwam vlak naast zijn stoel staan. Moro's neus haakte gekromd als een papegaaien-snavel. Hij vloekte van binnen onbarmhartig. Die onnoozele hals van een Fontein speelde den verstootene; zou desnoods feiten, niets dan feiten van toén willen loochenen, alleen om hém te pesten en zijn beschouwingen in de war te sturen. Hij riskeerde alles! Wat een être! Wat een babbelachtige schlemiel zonder zijn rotskegel Siegfried!
Leo, in zelfironie, hitste de spanning lichtelijk aan. Hij spiraalde speelsch fijnen rook van zijn cigaret rond......
— Ook profeet Elias brak door een vuur...... Telt
uwe olijven- en amandelboomen heeren!...
Kwaadaardige aangezichten keerden zich naar Leo.
Die, koel, vervolgde:
— Sarren is misdrijf; misdrijf op-zichzelf...... is
ambtshalve vervolgbaar... Meneer Fontein, u trekt een gezicht als een houten idool uit een Peru-tempel... Dekt u, of laat uw woord branden als een fakkel, gelijk
Sirach verlangde... Meneer Moro, grijp vast...... gij
weet wat grijpen is!... Uw venijnig geheibel, Heeren, is pan-tragisch en hoort op het terras van ,,Trianon" thuis... Mijn arme vader beeft als een schietstroom. Hij alleen kan u den steen toonen, waarop Petrus zat te weenen. Want hij behoort tot het ,,reine vijftal' in het vak en zónder zenuwhoest!...
Toen nam Robert van Nienhuizen, bóven spot van Leo, bóven gezag en houding van de groote werkgevers, het woord. Alle beschroomdheid en zwevende vaagheid vielen van hem af. Heel autoritair, toch beleefd, maar ijzig-strak, geen weerspraak duldend van geestelijk-geschokten, uit angst voor malaise en crisis.
Robert betoogde met klem, heel dringend, dat meneer Moro feitelijk volkomen gelijk had. Niets liet