:391
ooren. Hij vreesde alweer geheimzinnigheid, gevaar, verraad van dien kant; van Robert vooral, die aan alles iets zwevends en loshangends gaf... Henri bezat nu eenmaal een soort van telepathische gevoeligheid, op dat punt. Hij wist ook, hoe leuk-joviaal Leo met Robert omging, al schertste hij steeds scherp; hoe Leo eigenlijk de eenige was, die soms iets te hooren kreeg uit gesloten, vagen Van Nienhuizen; de eenige ook, bij wien Robert het kille, gluiperige wel eens verloochende of verborgen hield.
Moro bracht, een beetje sarcastisch, Henri's phantastische verbeelding over zakengang van het grootbedrijf, in het geding. Zijn doedelzak-neusklank kneep weer:
— Och, wie kan wat voorspellen?
De groote werkgevers stemden in:
— Toppunt!
— Niemand!
— O zoo!
— Gekheid...
Moro sprak door, met verwrongen mond; kronkelend, fascineerend gepraat. Valsch licht flikkerde in zijn oog en.
Jonas Fontein, grimmig en in zijn ״stoelifant" gedoken, door drift en nervositeit nu een écht kwaadaardig, tanig-oud, kaalkoppig mannetje, kon Moro wel in het gezicht spuwen. Dié vuile oweeër en smokkelaar. Bah, wat een sluwe, gemeene blik. Zoo een
genotterik! Zoo een smerige slippertjes-held!...... Die
had zijn huis geïllumineerd in de Edison-lichtweek!... Mit recht... licht... licht... Wat voerde hij zelf uit in het duister, die verbasteraar?... Een sjoéstand!...
De groote juwelier-fabriekseigenaar Bernard van Beem weerlegde, tot Jonas' hel genoegen, al wat Moro beweerde. En zonder stoffeering. Van Beem's blauw-vroolijke, argelooze kinderoogen straalden onder het triumphantelijk spreken. Als een der machtigste kapitalisten en werkgevers, bezat Bernard van Beem den roerenden eenvoud van een klein-bedrijf-onder-nemertje. Weer schoot Moro los:
— Wat voorspellen? En in 1914 dan?
Sjoéstand: toestand.