:390
beklemming. Het kropte té lang. Hij moest, moést uitbarsten. En hij vloekte, vloekte, opluchtend, knetterend, zonder ophouden. Telkens legde hij, onder een tragi-comisch gebaar, bij iederen vloek voor Henri's neus een dollar neer, weer een dollar, nog een dollar, nog een en nog een...
Henri, juweliers en makelaars schaterden.
Rozenheim riep Bongers:
— Neem weg...... een gezegende dag voor de
armen!......
IX.
Even na Jack trad de machtige juwelier Bernard van Beem binnen; een spontane, vriendelijke, groote man, met hel-vroolijke, lichtblauwe kinderoogen.
Onderling gegroet en luid stemmen-geraas klonk in Engelsch, Fransch en Hollandsch.
Alle gesprekken keerden weer terug tot de hevige Beurs-crisissen, den terugslag op net vak; op de Amerikaansche invoerrechten, op de Zuid-Afri-kaansche diamantindustrie, vooral concurrent van Amerikanen.
Jack vloekte nü... zonder belasting.
Robert, traag, de fletsblauwe oogen plots vreemd-woest doorlicht, streek langs zijn sluike, blonde haren en stond te praten met Leo.
— Als ik mij niet bedrieg, homunculus,...... spotte
Leo....... heb ik je éven schuw zien lachen.
Robert schrok. In zijn jong gelaat stonden reeds groeven gekrast als fijne lijnen van een planten-ornament.
— Schrik niet... één tel maar, meneer Van Nien-huizen... doorsnede van uw wezen.
Leo kuchte. Hij wilde Robert in zijn verdekte Jodenverachting treffen...
— Het is een heele toer in het leven... het voorbijgaande, het wisselvallige te grijpen...... Wij Joden,
noemen zulk lachen: rouw van den Negenden Ab......
Henri, tusschen het stemmenrumoer, spitste de