:388
meneer Rozenheim nu inéén, onder zijn handelsvrienden, zooveel angst en onrust! Wat beteekende deze omkeer, dit gebrek aan zelf-herkenning? Welke lichtopeningen en welke vergezichten rezen er nu weer? Robert had op de catechisatie indertijd, den brief van Paulus aan de Galaten grondig gelezen. Want onder de Galaten verkondigde Paulus, Christus. Robert voelde plotseling, dat zijn afschuw van heel de Joodsche omgeving, eigenlijk ontsproot aan de zekerheid, dat deze menschen nooit, nooit zouden gelooven in den Gekruisigde, omdat ze Zijn kruisdood en de menschelijke zonden niet met elkaar in verband brachten. Hij bleef Henri vervreemd in het bloéd; Henri hem. Maar ook zonder het diepere geloofsverschil, scheen Rozenheim Robert telkens opnieuw een raadsel. Dan ijskoel verstand, dan smeltende overgave en teederste oplettendheid.
Robert ontwaarde drift, wrevel en woede in Rozen-heim's gezicht. Het onverbiddelijke en strenge verdrong er het zachte en toegeeflijke in.
Robert, lang, schraal, bleek, trad den kring binnen.
Schichtig keek hij óm naar Emmanuel Moro, maar diens tijgerige oogen bleven flauw flonkeren en de mond spande listig-rustig onder den geweldigen haakneus.
Jonas Fontein keef iets giftig-krenkends naar Moro; Moro schimpte terug naar Fontein.
— Ik wou dat jij weer de Rooie Zee overtrok,... beëindigde Jonas liefelijk het gesprek.
— Als jij de rol van de Egyptenaars krijgt......verzinken... graag,... verwenschte Moro terug.
En zijn stem klonk neuzerig als van een doedelzak.
Drie Amerikaansche kooplieden en een Armenische importer, uit Parijs, liepen het privé-kantoor in, door meneer Jolly, den eersten boekhouder, norsch aangediend.
Onder hen was een Virginiër, Jack Bridewill uit Richmond geboortig, een ongelikte origineel, van wien Henri en de groote juweliers veel verdroegen. Hij was rondborstig, luidruchtig en levensblij als een oolijke zeevaarder. Hij schimpte blazend en bulderend op het