:386
fluiten als je je eigen vader zoo zorgelijk, benard en opgewonden hoorde uitpakken?
Henri sprak verder over alles, somber-aftakelend, stram, gelijk hij nog nimmer was losgekomen. Rozenheim, die bij het uitbreken van den oorlog en in de crisis van 1922, hun allen vermocht te hypnotiseeren, ze boven angst, wanhoop en verslagenheid wist uit te heffen, uitte zich nü met plotselingen persoonlijken jammer over zaken, over idioot-geringen omzet en daling van geslepen, gejaagd als al de anderen;... verwachtte geen herstel meer...
Moro alleen luisterde met een wilde, pijnigende spanning in zijn hoofd. Hij vertrouwde Henri's slink-schen draai niet. Overweldigende humbug, opgeschroefde stemmingmakerij, reclame...... maar listig
voorbereid! Er school iets schrikbarend-verdachts achter. Wat?... Onbeholpen gluurde hij naar Robert. Zijn haakneusvleugels trilden. En Henri vertrouwde hém niet. Die smakelooze kletser loerde als een benarde kat. Moro vertrouwde ook Jonas niet en Jonas, kwispelenden of grinnikenden Moro nog minder. Ook Robert vertrouwde Jonas niet, en Henri, Van Nien-huizen niet.
Leo gluurde, zocht in den kring stof voor zijn ״primitiae studiorum", maar vertrouwde zijn vader niet. Hij keek nu van den Japanschen processiewagen naar een even ״geheid"-antieken Venetiaanschen kerkkandelaar boven een kast, zonder eigenlijk te zien.
En zijn vader vertrouwde hém niet. Leo, de abstrac-teling, maakte een spotgrimas, rammelde met sleutels in zijn broekzak.
— Een feestmenu-bende gelijk...
Henri verstoord gromde:
— Uil!
— Ja vader!... viel Leo scherp, snel-bevestigend in.
Maar er werd toch door allen vol woede voortgesproken; ook vol overtuiging, alsof ze elkaar blindelings vertrouwen schonken en naar waarheid begeerden in te lichten. Het moest subiet op woede-relletjes uitloopen, hoopte Moro stil. Als hij er maar buiten bleef. Hij hield niet van schelle zon in de oogen en