37 3
Dit kénde Rozenheim. Een beetje opgejaagd viel Henri snel in:
— Beste meneer Fontein... over vijf minuten is mijn zoon Leo hier, met Moro...... en een paar groote afnemers...
— Moro?... onderbrak in schrik Jonas.
—■ Ja, met Moro_______ Heeft u mij speciaal iets te
zeggen?...
Jonas wreef traag de hand met fonkelring over den kalen kop, ontstemd, gesmoord-driftig. Zijn gitoogen brandden...
— Noh!... Nee... nee... gaat niet. Ja, dat kén ik zegge in vijf minute... nóh!...
Henri zag wrevelige teleurstelling en geprikkeldheid Fontein's gezicht ingroeven. Hij wou den ouden juwelier graag van dienst zijn. Hij wist, hoe Jonas op hém, op zijn raad en inzicht gesteld was...
— Komt u dan morgenavond bij mij thuis? Mag Esther hooren? Of wil ik bij u...
— Nee-nee... ja, ik kom bij jou... Ja, nog méér overlast... Volstrekt niet!...
■—■ Geen sprake van overlast, meneer Fontein...
Heel zacht vroeg Henri:
— Is 't over affaires?
Knorrig bijna, stootte Jonas uit:
— Nee...
Henri staarde hem de donkere oogen in.
— Over effecten?... Oppassen!
Gesmoord vulde Fontein aan:
— Nee... over Siegfried... en mijn.
Henri keek verbaasd en herhaalde langzaam:
— Over... Siegfried... en ü, zeat u?
Jonas knikte en liet zijn hoofd hangen.
De snijdend-hooge stem van Leo klonk, achter de gecapitonneerde deur.
Emmanuel Moro en Mr. Rozenheim traden het privé-kantoor binnen.
— O, pardon Papa!
Hoofsche Henri veerde op, slank, sterk, heel groot.
— Je kunt blijven, Leo... Meneer Fontein spreek ik wel tnuis.