:370
den mond vol, moesten ze het eetgerecht keuren. Hoe dikwerf had Jonas niet haar gulzig-smikkelende ,,leveraars", echte vreetzakken, zóó in die smulsituatie op haar kantoor ontmoet!
Mevrouw Maupie, — zooals ze bij al de diamantbewerkers hiette, — dreef de zaak eigenlijk met een heilig vertrouwen op haar man's geschoold en eerlijk personeel. Ze beloonde haar meesterknecht voor zijn afzonderlijk technisch toezicht, met lekkere geintjes en gunde hem een streel over de blank-mollige, bloote armen. Dat ging alle geweld te boven! Dan veegde ze zelve haar poezelhandje over haar onmaagdelijk
snorretje, van verlegenheid. Gein, gein...... groote
gein... memosje! Als een blozend-jeugdige kloover, een geroutineerde snijder of welvoegzame slijper bij ,,mevrouw Maupie" leveren kwam, sprong ze onverwachts, schommelend-korpulent te voorscnijn uit de warboel-eetafdeeling van het huis. Een vettig-bemorst ruiten schort overdekte dan haar heelen, zwaar-ademenden boezem en buik. Haar rood-opgezwollen hoofd zweette. Aan haar tien korte vingers kleefden brokken deeg als gedroogd slijk, of geel van eierdooiers. Sieafried zei altijd: het was heelegaar een
pusula! Gein!...... Wat d.at woord toch mocht be-
teekenen?... Tijd om zich van haar deeg te ontdoen, gunde mevrouw Maupie zich niet. Meewarig-bedeesd vroeg ze den blozerigen kloover:
— Binne ze goed? Werachtereschrot?... En waar is je kleteersel?... Nega!...
En als de Iooze leveraar dan, zonder bedenken, „ja" schudde, — oggenemmes, — dan glom een genoege-lijke klaarte in haar bolle oogen; wees ze wanhopig-grappig op haar ongerief, haar vetten zak en haar raar-bijdraaiende, beklodderde handen.
— Hier... daar,... neem u zik-zellevers maar uwes
loon...... daar, nee...... hier zit me pottevulje, in me
schort... Schraam u zik maar nie!... Hoeveel is 't? Me hande kenne nie bij me zakke!...
En dan frommelde de leveraar uit mevrouw Maupie's morsige ruiten schort, de geladen beurs naar voren en begon ze het hoogste lied, al knedend en
Memosje: goede waar — Klateersel: kloovers-afval.