:365
Jood als hij, tegen kinderen van Saaje Waterman. Dat jonge geslacht had zich in den Kaapschen tijd geweldig opgewerkt tot eersteklas machtige kooplieden, met reuzenkennis en ondernemingsgeest. Waren niét uit een al opgemaakt bed! Echte mergboren in handel en wandel, die schrandere kerels, die hun geld goéd belegden in huizen en landerijen. En al spraken ze heel geleerd tot fabrieksbezoekers, van mineraliën, ׳ van octoëder en dodekaëder, uit de Jan Klaassen-kast der geleerdheid,... beteekende niks anders dan vierpunt en tweepunt... Ze zogen toch heel nuchter het laatste vocht uit de beentjes! Ze konden, — zonder fitsefaune van crediet of zware hypotheek, — de grootste slijperij van Amsterdam laten bouwen. Voor dién tijd modern, midden in het donkere, sombere, krioelende en luidruchtige Ghetto, waar ze het schrobben en boenen verleerd schenen.
Och, och, die ouwe tijd... onvergelijkelijk, in alles; door dik en dun en zonder zeerigheden... Jonas herinnerde zich nog een Inwijding van die groote fabriek van de Waterman's. Hij zag nóg, alloulem, de getooide muziektent oprijzen op de breede voorplaats van het reuzengebouw De mooiste Joodsche Liedertafels verleenden hun medewerking. Jonas hoorde in zijn verbeelding nóg het heet-brullena gejuich van het heele Ghetto, van al de meezingende diamantbewerkers en de sjnorders geregeld als claque... Want uit niegisj hield de firma alle afpersers dien dag in eere; waren ze zóó van hun bedel-zetels vóór de groote Sjoel en de Neijesjoel op het Jonas Daniël Meijerplein weggehaald. Hij, Jonas, behoorde ook tot de genoodigden. Sommige vreetzakken en snoepzieke gasten die de Sjoel mét de almemmer verslonden, kon je niet eens de hand drukken, want die zaten vol gesmokkelde chocolade en zoet. Enkele genoodigden hadden zelfs al de zakken vol boterige taartjes en fleschjes wijn. Eén half-betrapte gast werd geplet tusschen twee andere... Krak-krak gingen de fleschjes en de room spoot hen de broek uit! De gulzige nasjers-dieven werden weg-gespogen. Ze krijschten iets verschrikts van:
Octoëder: achtvlak. — Dodekaëder: twaalf vlak, — Fitsefaune: treuzelarij. — Alloulem: tenminste dat nog. — Niegisj: bijgeloof. — Almemmer: platform. — Nasjers-dieven: snoepers.