:355
den. schoot geworpen. Ze hadden gesnakt naar een pruim of een halvestuivers-sigaar. Nou rookten zij ze in zilverpapier... van een gulden! Is het te verwonderen, dat vele Kapers stapelgek werden van weelde en overdaad? Het was een verwildering, een chaos, een gorben!... Van al die fabelen en wonderen in verdiensten, vertelde Jonas zijn oudje, zijn gesjiewes Evaline, die uit Meppel kwam en die de heele Kaap toendertijd geregeld was voorbij gestoomd. De Fransch-Duitsche oorlog lag totaal vergeten. Ook al de ellende en het hongerlijden. Noü lucht van scherpe kruiden, anders niet! Ze kwamen bédelen, de heeren juweliers, tot de werklieden. Hoeveel telde je er? Laat zien... een dikke duizend!... Toen was Jonas nog gewoon slijper. Er waren niet genoeg handen! Ze stampten werkkrachten uit den grond. Ontzettend was de drukte. Overal
molenmelkers...... Al wat naar cement en schijven-
schuurderskleeren rook, kwam bij het vak. Die eerst met speelgeld en halfknechtsloon krap werden uitbetaald, verdienden toén ineen groote sommen. De Kaapsche tijd... een overstrooming was het geregeld. Je kon zinnelooze eischen stellen aan werkgevers. Onderkruipers-naturen, — echte ratten, — werden zelfs nadig van verzet. God, wat had hij toendertijd een branie genad als volleerd werkman. Maar Jonas verbraste geen cent, al leefde hij op zijn manier onbekrompen. Iéts in hem waarschuwde:... Jonas, die duizelende volte duurt niet lang! Hoe jong je ook bent, bewaar je poen... Het slempende, heete, waanzinnige van al die wanstaltige genotslurpers stootte hem toen al af. Werachtig, je kon de kalle niet meer zien vanwege al de strikken en de linten!... Zijn eigen bedachtzame wezen hield hem tüsschen den amok-roes der duiten-koppensnellers, klaarwakker.
Jonas verdiende wel achthonderd, negenhonderd gulden per week. Hoe was hij zoo bezonnen gebleven met zijn geld, tegen kolking en bezwijmeling van brooddronken Kapers in, bij wie alles moest glimmen en glanzen?
Vak kennen? Larie! Een ieder leerde het vak, de grootste prutser, en vestigde zich als baas, al had hij
Gorben: idiote warzooi. — Nadig: knoestig. — Kalle: bruid. — Prutser: knoeier.