:351
schmeigelig, wanneer hij tegenover haar en Henri stond! Maar Blanes... van binnen moest je kijken! Voor ieder lief of vriendelijk schmeigelwoordje dat hij Henri in het gezicht zei, had hij inwendig een vloek, een valsche verwensching klaar... O, die genotsbeluste smiecht, die onruststoker van een Moro, met zijn aasvogelen-bakkes; conservatief met de conservatieven, klokvrij met de klokvrijen...Alleen zijn adem al, was als een gedempte zuiging naar lucht...
De deur ging open als een zachte tocht. Een zwakke heliotropen-geur woei mee. Jonas Fontein schrok, alsof hij op een slechte gedachte betrapt was. Hij hoorde heel voornaam en slepend-beleefd de schriele, toch stekende stem van Robert van Nienhuizen en hij zag zijn blonde sluikhaar glanzen tegen den ambergouden xuitenschijn in.
— Mijnheer Rozenheim stuurt mij naar u toe, mijnheer Fontein...
— Zóó?... Noh?
— Of u nog wat geduld wilt hebben...
— Nóg meer geduld?
— Hij ziet zóó geen kans te komen...
— Ikke wel...
■— Ze hebben hem allemaal erg noodig!
— Ikke óók!
Nerveus weerde Jonas af, terwijl hij zich stram over-eind-heesch:
— Noh... noh!... Niks... niks!
Robert, slank, stil, boog. De lichtoogen sloten als met een luikje dicht.
— Het kan nog wel een uurtje duren!
— Noh... noh!... Goed... ikke wacht. Zeg maar an meneer, ikke wacht... ik heb de tijd! 't Is keteltjesdag en ik mot geen pootjes baaie en niet na de kemedie!...
Weer boog Robert en verdween onhoorbaar gelijk hij gekomen was.
De juwelier zonk stug, stram, in zijn ״stoelifant" terug.
God-nog-toe,... gromde Jonas wrevelig... die grappenmaker, — hij hield heelemaal niet van dit
Keteltjesdag: luierdag, werden de ketels schoongemaakt. —