:350
Een echt, edel mensch, die veel goeds stichtte; die nooit-en-de-nimmer zichzelf bevoordeelde en altijd voor armen en minvermogenden bedelde. Wat een goddelijke man, vol écht Joodsch gevoel...
Jonas zuchtte en hij keek naar de deur. Henri nog steeds niet? God beware!
V.
Och ja, waar bleef de tijd? Paasch hadden ze hem in de Sjoel opgeroepen en Jonas had flink geofferd, ondanks de crisis. Óch, een Jehoede blijft toch altijd een Jehoede. Hij wou zich nooit vervreemden van den Jodenhoek. Zooals Moro bijvoorbeeld, die geboren in het hartje van Uilenburg, deed alsof hij van de Oranje's afstamde... Ja, aan dien vervloekten juwelier Moro, dien Emmanuel Moro, aan dien had hij liederlijk het land. Geregeld Veltman, de verrajer!... Al zijn wrok, zijn list, zijn taaie energie zou Jonas op dien huichelvent, dien Zondagsjager-in-de-massel, kunnen uitleven. Alleen al zijn gieren-haakneus en zijn flakkerende oogen, brr! Die vocht niet met de vuist, maar schoot, verdekt, in het geniep, met de katapult. Siegfried verweet zijn vader wel eens domme, nijpende slimheid en onverwrikbare stijfkoppigheid, vastgegroeid op onbenulligheden. Allebeneur! Maar van zijn weerzin tegen Moro zou zijn zoon hem nooit genezen. Wat een pestkop, wat een wreede klier! Het gif keek hem de oogen uit; tijgeroogen, ja, ja, echte tijgerooaen... alles licht en valsch! Hoor eens, gekheid is gekheid, maar dat was en bleef een gifpisser. Die was nou letterlijk jaloersch op iedereen! Foei, wat zichzelt-opvretend, gemeen karakter! Schatrijk en doodongelukkig, door heete afgunst op een ieder. Nee, die man met zijn onrustige lampies had geen leven. Hij was gruwelijk jaloersch op allemaal tegelijk; het meest op Bernard van Beem, den grootsten juwelier-fabriekseigenaar van Amsterdam, en op Henri Rozenheim... Op Henri? Och... zijn bloéd kon hij drinken. Die gluiperige zenuwmoot, die valscharis, die rijke bedrieger, die overal spotte met den adeltrots van Ésther Rozenheim, als ze er niet bij was. En toch zoo vriendelijk en
Lampies: oogen.