:349
later, zei hij stroef, als ze het ״oordeel des onderscheids" krijgen...
In zijn eigen huis kon Siegfried hem geen wetten stellen. En dat wilde de brave, kostelijke jongen ook niet. Die eer moest Jonas hem nageven. In zijn mooie, ruime woning op de Koninginnelaan, had juwelier Fontein zijn aartsgezellige whist-avondjes. Siegfried was een bolleboos in bridgen. Die lachte om vader's muf-achterlijk kaartspelletje. Maar in zijn eigen huis hield Jonas aan al zijn ouderwetsche, persoonlijke genoegens met oude vrienden, hartstochtelijk vast. Jonas snakte altijd naar zijn Joodsche huiselijkheid. Hij haatte reizen en trekken. Hoor eens, er ging niets boven eigen home. Hij vond het een zaligheid, 's avonds in zijn grooten stoel, in de mooie, breede woonkamer te zitten. De radio was in, onder de blauwe draperie in den salon. Zijn lekkere pijp op; Evaline naast hem of in de omgeving; zijn lief, zilvergrijs moedertje, als ze een beetje huiverig was, heelemaal weggedoken in haar napolitaine!... En dan zijn ouwe, trouwe whist-clubvrienden, tweemaal per week, om hem heen. En dan roddelen en snateren over alles en nog wat... en kaart en-winst op avontuur stellen...
Als Rabbijn Herschel, een klokkegave vrome, Jonas kwam bezoeken, met zijn geleerden en knappen vriend Igmaniz, gingen al de lichten van de ernorme kristallen salonkroon aan. En 's avonds laat, nu nog, koffie, heete koffie met sjasjeetjes!... Dan was het compleet feest.
Toen Jonas laatst eens, in argelooze bewondering voor den zomer, dien jongen geleerde had gezegd:
— Ikke ken me best voorstelle, dat Nebekadnezor mesjogge is geweest mit de zon en dat hij er in aanbidding voor heb neergeknield...
kreeg hij een uitbrander van datzelfde knaapje, dat pas kwam koekeloeren. Geregeld 'n meinze! En toch vond hij het groote gein... hij, vijfenzeventig, de geleerde drieëntwintig, die hém de les las over ontjoodsching van alles tegenwoordig...
Rabbijn Herschel kwam altijd snorren voor liefdadigheids-instellingen, maar hém gaf Jonas dolgraag.
Sjasjeetjes (naar Chassé): gebakjes in den vorm van den hoed van generaal Chassé. — Meinze; een geval.