:348
cigaretjes rooken. En wanneer het tegen eind April viel, was de hemel al 200 mooi ijl blauw en het groen begon zoo heerlijk te sprietelen en te geuren rondom. En je liep al in je enkele Paaschpakje, al sneed de guurte door je broekspijpen... Och, zwijg stil, het was en bleef in zijn prille jeugd en nü nog een goddelijk feest! Bij het eerste woord al van den Seider, van het Inwijdings-gebed, 's avonds, begon het vroom in Jonas te zingen en verstijfde hij van geheimzinnigen eerbied voor het Joodsche Opperwezen. Zijn vrouw, ,,onbe-schrieje", ook al achtenzestig, leefde alles nog met hem méé, van den eersten en tweeden Seideravond tot uitgang van Paasch. Dan kreeg Evalien kinderen uit Meppel over, van haar broer. Wanneer de eerste beker wijn werd volgeschonken, zoemde al gemurmel op de lipjes. Dan klonk het altijd ontroerde:
— Dit is het brood der vernedering dat onze voorouders in het land van Egypte gegeten hebben...
En hoog zongen de kinderstemmen mee:
— Elke hongerige kome... Elke behoeftige kome en viere Paasch mee...
Maar er kwam niemand. Eén keer, eens, een Poolsche zwerver. Op zijn zeer hoofd groeide een paddestoelhoedje van korsten. Evalien rilde, maar schonk hem toch al het lekkers van de tafel...
De kinderen hunkerden naar den Seider-schotel, naar het gebraden ei, naar het gebraden beentje, naar moror, het bitterkruid, zoo goed als naar de zoete charouses; naar radijs-met-peterselie, zoo goed als naar de latuw.
— Kijk uit,... riep hiü... klippen in de baai!... Dan roofde ieder zijn deel. En de jongste Meppelaar was dol op een stukje afikoumen en de oudste van alle drie, op een brok matse; op Kouhein, Leivic of Jisroeil. En als tezaam, aan het eind, bij het inschenken van den vierden beker, het Hallel-gebed gezongen werd, dan kreeg zijn verootmoedigde vrouw nóg dikke tranen in de oogen, van aandoening.
Siegfried, Jonas' zoon, vierde Z'man Gijroesijnoe niet, en zijn Annie en Jaap mochten nog niets van de Verlossing, den Uittocht uit Egypte hooren. Later,
Onbeschrieje: niet te zeer geprezen. — Seider: Paasch-avond. — Afikoumen: mat&a-toespijs, als men reeds verzadigd is; zinnebeeld van het Paaschlam.