:345
hém, Jonas, allemaal te disciplinair, te duldeloos afgemeten en hoog... Goed, laten de Jidden schreeuwen en lawaaien met handen en voeten, komt er op an! Laten ze krijschen en mekaar bij het minste geringste in de haren vliegen. Laten ze zweren en vloeken en den boel verdraaien bij ״hangend goed", en laten ze God overal inhalen, tusschen hun persoonlijke lotgevallen. Bedriegers en sjacheraars had je overal, onder de gojem net zoo goed. Je kon ook om ze lachen, je kon pret hebben, je kon alles met ze behandelen en bespreken. Ze hadden bliksemsnel inzicht. Goed, goed... luidruchtig inzicht; maar inzicht! Ze hadden hart en gevoel en eerbied voor God en gebod. Ze beseften allen, heidensch brood te eten. Neen, Siegfried duldde geen Israëtisme, zooals Leo het noemde. Zijn zoon speelde den baas en hij ook wel, maar, — casjuweel! — altijd deed hij, Jonas, precies wat Siegfried wilde! Wat drommel, wat deksel... hoe kwam dat toch? Ja, ja, raas maar ouwe, blaas je maar op, trommel maar!... Oulim wejourediem bou! Zoo wentelde hij mee. Ja, ja,... hij was ook op de Joodsche school gegaan.
Nebbisj. Siegfried wist het, Siegfried begreep hem, als hij zijn treurig trappenlied zong... Maar alles-goed-en-wel, op kantoor heerschte zijn zoon's strenge, koele, rustige meerderheid. En dan knaagde wild heimwee in Jonas Fontein, naar den ״goddelijken" ouden tijd. Toén licht... noü loodglans.
En dat begreep Henri Rozenheim allemaal zoo lekker; zoo heelemaal buiten de sjniks van tegenwoordig. Dié voelde nog alles ongegeneerd met hem méé van zijn alterwetsigkeit, al was Rozenheim somwijlen nog strenger in zaken dan zijn zoon. Die hield zelf van den romantischen, grooten tijd van ״Margot, de bloemenverkoopster" zoo goed als van ״Orrephus in de onderwereld". Jonas dweepte geregeld mit Offenbach en mit ״De Mikado". Hij was niet een dag, maar alle dagen in Titipoe...
Ja, Henri was veel guller en aangedaner als mensch; veel meer saamlevend met zijn eigen volk; een engel van een man! Voor die was niet alles in het leven, koopwaar, kapjes en handelsartikel! Jonas hield dol,
Gojem: Christenen. — Oulim wejourediem bou: zooals het rad der fortuin draait; op en neer. — Sjniks: branie.