Het Volk God's, van Armen en Rijken

Titel
Het Volk God's, van Armen en Rijken

Jaar
1931

Druk
1931

Overig
1ed 1931

Pagina's
511



:338

en huichelachtigheid! Siegfried, en listig veinzen of zich verbergen! Siegfried, en zijn waardigheid prijsgeven voor mooie-snoetjes-gatijsem! Dat betaamde hem niet.

En toch, ondanks het blinkende en grootscheepsche, leefde Jonas hunkerend, in onstilbare herinneringen aan den ouden tijd, toen hij nog 's zomeravonds, in schemering, op zijn lage, groengeverfde stoepbank, zijn gouwenaar zat uit te dampen vlak voor zijn huis op de Nieuwe Keizersgracht; toen hij op kantoor nog lekkere, zachte pantoffels kon dragen; toen zijn handen nog mochten ruiken naar pas-genuttigde vette scharretjes, al sorteerde hij ook fantasie-kleuren; fine blue white, second bywater of light yellow;... toen geen vóórbazelende boekhouders, geen terughoudende, trotsche accountants, geen spiksplinternieuwe ordeningen en regelingen van zaken hem het leven zuur kwelden. Alterwetsch, maar heerlijk en zonnig en genoegelijk en eenvoudig, al sprak je veinia Fransch, gebrekkig Engelsch en gefiltreerd jiddisch voor Duitsch. Je mocht heerlijk lolletjes maken, een beetje onschuldig-schuine anecdotes vertellen, dat je omrolde van den lach. Je liep tegen bultigste bruggen op en wandelde over zoetgeurige bloemenmarkt en stinkende Singels! En je verdiende toch óók, zelfs meer dan genoeg. Op de Beurs en op kantoor was ook alles heel, héél anders toendertijd. De praatzieken mochten gezellig kletsen; den ganschen dag dóór hun protocol afklappen in ״Café Rembrandt", waar je den blauwdikken rookwalm snijden kon en waar je allerlei stiekeme en onstiekeme koopmenschen en makelaars, de heele mispoget in het gemoed liep, sjacherend schreeuwerig en overvol van nieuws. En waar je altijd driedubbele minje had. Je hoorde van den een dit, van den ander dat. Je zag het naadje van de kous. Je kon mekaar dollen en omver pochen en een ieder kwam op de rol te staan. Je kon mekaar bespotten en toch van elkaar houden, en als mensch tegenover mensch, zonder hoogmoed, in vriendschap leven met al je commis-sionnairs, je werklieden, je afnemers, als met èèn groote familie. En je pijp, eeuwig je pijp in den mond... juist

Gatijsem: uitschot. — Veinig: nadig, slecht. — Mispoget: klus bekenden. — Minje of minjan: voldoende aantal (tien) bij Joden, om gemeenschappelijk te kunnen bidden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.