:337
vele steile vakvereenigings-eischen toe, die Jonas nooit-van-zijn-leven zou hebben ingewilligd, maar weigerde even vaak dingen, die zijn vader als elementaire noodzakelijkheden voor zijn werklieden beschouwde. Toch, Siegfried zette door, onverbiddelijk, en het liep alles gesmeerd, nog veel beter dan onder zijn alleen-beheer, al mijmerde Jonas over den ouden tijd, toen de patroons nog kraam-klappertjes uithingen, bij gelukkige bevallingen van de vrouwen hunner werklieden en chips lieten bewerken erger dan neutjeskolen, Dan zuchtte de oude juwelier weer; mompelde hij: in
״zijn" tijd...... Plotseling sprong hij weer heftig op;
grimmelde het voor zijn groote oogen: Wat... zijn tijd?... Was déze tijd niet ook zijn tijd?... Dan begon de dwarrelende polemiek-in-zijn-eentje opnieuw; krabde hij de bloedende wrat open van zijn ongeduld. Nou ja, hij, hij, hij bedoelde... En onverwachts schoot Jonas Fontein los en bracht hij zijn hartstochtelijke gehechtheid aan den gouden tijd uit. Ja-ja,... nu had hij een pracht van een kantoor en zijn zoon verscheen, gekleed als een schatrijk minister en praatte geleerd, geregeld als een professor. Siegfried sprak met een vorstelijk mondje, prachtig, alle talen. Vier telefoontoestellen en eenige voor interne zaken. O, het was Jonas een duizelend genot, zijn kostelijken jongen, zijn Siegfried zoo te hooren, van het eene toestel op het andere, met de „grootste" lui in conversatie. Duitsch sprak hij onberispelijk, als de kroonprins. Dan weer Engelsen en Fransch. Het rolde, het rolde maar; gepareld! Alsof hij zóó geboren was aan de Theems, aan de Seine, aan den Rijn...
Prachtig. En de sorteertafel, met het hei-witte papier, precies als hier, bij Henri Rozenheim, — Henri die dol op zijn jongen was, — blonk als sneeuw op een vensterpost. En het ging alles op de minuut. Het kantoorpersoneel, de boekhouders, de chef, de accountant, bewogen zonder geschreeuw, deftig, voornaam, och,... het was alles één mechanisme; een hoogeschool van correctheid en kraakzindelijkheid. Nooit, nooit keek koelbloedige Siegfried naar een mooi gezichtje van het vrouwelijk personeel óm. De rechte soort... Siegfried,
Van armen en rijken 22