:336
waarop Siegfried kort, kernachtig, krachtig doch heel afgemeten, al zijn werklieden grieven onder den neus duwde.
Op de juweliers-vergaderingen wekte Siegfried onrustige bewondering door zijn zakelijke, scherpe en kwellend-sobere betoogen. De troebele, gejaagde loer-oogen, echte tijgeroogen, van Emmanuel Moro vooral, den onbestendiaen, den heimelijk-zinnelijken genotsnajager, scheen hij zelfs te verblinden. Siegfried's devies klonk: geen franje, geen overtollig gezanik, geen speelsch geklets, geen karakterloos gewauwel en zoetsappig om de dingen heenleuteren! Beter: korreldroog woord, hard als biotiet; stroef, onweerlegbaar.
Siegfried van veertig was veel strenger, koeler en ook maatschappelijk behoudender dan Jonas van vijfenzeventig. Siegfried, intellectueel, volslagen emotieloos in zijn zaken, bleef afgemeten, eerlijk, beschaafd; spande nooit overlistige valstrikken, als juwelier Moro. Hij was velen oprecht-antipathiek. Maar hij lasterde noch fluisterde steelsgewijs met een ieder, als Moro.
Narrisjkat,... al stond Jonas tegenover zijn zoon met al de gevoels-onstuimigheid en zoete kracht van meeleven onder wildvreemden,... zijn Siegfried mocht toch óók een kerel heeten, al leek hij wat gewreus. Wat was hij eigenlijk, hij, Jonas, die zich weekhartig-lijk en zoo beschamend-snel liet meeslepen door allerlei huishoudelijke lotgevallen van zijn personeel? Wat was hij, Jonas, die driftig zich telkens weer verzette tegen hoogere vak-eischen, maar even later, zonder schuwen, met zuchtend hart, alles overgul toegaf? Och, hij voelde zich altijd weer de gelijke van zijn arbeiders, al wou Siegfried hem het tegendeel in-smoezen; al was hij ook schatrijk geworden. Hij, Jonas, bleef de oude heethoofd, razend geprikkeld door vermeende onrechtvaardigheid van zijn werkmenschen, opgewonden sputterend tégen, maar altijd opnieuw onderworpen aan hun gemeenschappelijk optreden. Als patroon, oser, zónder werkelijk gezag en overmacht.
Onbewogen Siegfried, broodmager, alle intimiteit werend; voor wien het kantoorpersoneel sidderde, gaf
Narrisjkat: gekheid. — Gewreus: givreux; glessig. — Oser: absoluut niet.