:309
stijgen. Alleen lieveling Judith, moest hij, zelfzuchtige driftgek, in de eerste jaren van zijn fortuin-vorming, door jaloersche giftigheid tegen het nietige, kale, vrome rebbetjes-mannetje Josua Hereira opgehitst, be-leedigen, uitjouwen en verstooten! En toch was dat onbenulligheidje-in-eenzaamheid, dat vrome Portu-geesje Hereira wreed en onvermurwbaar tegen hem opgetreden en had hém een slipper bezorgd! Henri wilde, in volstrekte onthechting aan het verleden, zich nimmer meer om een van dien troep uit de Zanddwars-straat bekommeren. Hij wist niet eens of dat zwart-
baardige kwebbelaartje Josua nog leefde en hoé......
Van Judith's kinderen begeerde hij nooit iets te hooren. Schennis van zijn geweten!
IV.
Nu, op het hoogtepunt van zijn macht, invloed en rijkdom, overzag Henri Rozenheim weer alles. In het vak-van-tegenwoordig kon je met diamant niet meer rijk worden. Honderd gulden verdienste telden tegenwoordig mee!... De zaken-malaise, met al haar spanningen, bracht Henri niet alléén onrust. Ook Esther bevreemdde hem de laatste maanden, door een beangstigende zelfwerkzaamheid van gedachten, waar hij geheel buiten stond. Dat speurde Henri aan haarwoorden en daden. Ze staarde moe en nadenkelijk. Ze scheen het kwelverwijt nog in haar mee te dragen, dat hij Hereira en Judith, in armoe en nood, zoo bruusk haa behandeld. Dan werd Henri woest uit vre-s en zoemde er haat door zijn bloed... Nou ja, al dat valsche ge-idealiseer... de Portugeesche trots van Esther!
Hij, verlichte Jood, aie bijwijlen doorwrocht werken kon in historie en economie van zijn volk; die Buber en Dubnow, Heinrich, Graetz en Herzl, Lamparter, Max Brod en zelfs Klatzkin, den breker met al het oude, maar ook Renan en Sombart en Kittel had gelezen, wees er zijn vrouw op, hoe in het algemeen, de ijdel-Sephardische natuur der ״Pottegiezen" moest worden teruggedrongen of getemperd.
Wanneer hij deze voor eigen zakenmacht niet kon