:303
nu en dan omsprong. Afgesnauwd werd hij als een
lombard-knechtje, door al die spijkerboorties-van-niets. Henri moést den jongen sauveeren. Zooveel boterige praats van margarine, zou hij niet langer dulden. Henri plaatste Robert voor zijn privé-sorteer-tafel en sprak veel met dit moerdertje van zaken-reputaties, op zijn prachtig-ingericht privé-kantoor.
Robert van Nienhuizen was een geloovig Christen, een Calvinist die als wees alleen stond in het leven en God als Helper kende. Henri, snel en waarachtig ontroerd, had zijn besluit genomen. In zulk soort beslissingen was hij als bruisende wijn. Hij ademde in versnelling van drift en drang. Robert zou zijn beschermeling worden. Henri wou dit hulpgeluk niet derven. Toch weifelde hij een wantrouwelijk oogen-blik voor eigen grootmoedigheid. Kon deze stille, bleeke jongen met de blond-sluike haren en de flets-blauwe oogen, die sóms zoo vreemd-woest uitlichtten, zich als een gevaar tegen zijn gezin, zijn zaak, tegen hemzelf keeren? Neen, onmogelijk. Verraad en schen-nende daad tegenover zulk een vriendschap en goedheid, zouden iets monsterachtigs wezen. Deze gedachten wilde hij niet eens uitpluizen... Henri moest zichzelf overreden. En al het gedrochtelijk-ondankbare, het laagzielige dat hij al ondervonden had? Neen, neen, al dat tijdelijke telde nü niet mee. Deze sterkbegaafde jongen, die nu al groeven had in het jeugdgezicht, zonder één teederen trek; dien hij nooit hoorde lachen, moést er bovenop, al stiet Rozenheim tegen iets kils, verborgens en gluiperigs in zijn wezen, dat hij nauwelijks te doorgronden waagde.
De hulp van Esther en haar zich-bezighouden met kooplieden en vreemdelingen, thuis op het Museumplein en in de stad, steeg boven Henri's lof uit. Soms vroeg Rozenheim zich wel eens af, wie intrinsiek méér voor de zaak beteekende, dieper levenswaarde had: hij met zijn kennis en ijver, of zij, met haar charme, tact en geduld. Esther gaf een zeldzame aanlokkelijkheid aan zijn woning. Alle kooplieden, fabrikanten en vreemdelingen waren betooverd door haar