289
met in-bedroefd gezicht, hoestende en zuchtende en met melancholieke oogen rond, als een schobberd. Ze konden hem wel ״verders" een pinnemuts over het hoofd breien... De hevige glinstering, de diepe tinteling, de groote hoop op Henri was gebluscht in zijn leven. ...De kinderen, de kinderen!... iZe moésten verdienen. Henri's geheele inkomen was bron voor het gansche gezin geworden. Sallie's triomphale vervoering over den genialen oudsten jongen, die gansch zijn bestaan had overstraald, verschrompelde met den dag tot een soort van zenuwzieken wrevel en kommernis, „disnieteugestaande" Henri al veel geld verdiende. Oude, ziekelijke Sallie gromde overal, in iederen hoek; wist zich bedreigd door het vaal-over-schaduwende lot. Hij lei voor oudvuil onder de raspel.
Judith had ,,kennis" gekregen aan een bescheiden, schuwen, stillen jongen, dien ze heel gaarne zag. Vrouwelijk-teeder koesterde ze hem, zonder haar eigen hart argwanend af te vragen,... waarom? Ja, zoo een genegenheid geleek wel liéfde. Zij was even zachtzinnig en droomerig als hij eenvoudig en hulpvaardig.
Het eerst onthulde Judith schuchter Henri haar „geheim"...
— Wie is 't?... vroeg hij vreemd-opgewonden.
Schaamachtig vertelde Judith, — ze begreep zich-zelve niet,... waarom juist onverzettelijk, het éérst over 's jongens positie? — dat hij een kleinhandelaartje was, die heel krap zijn brood verdiende. Haar zachte stem trilde en in haar hart begon van binnen iets te dansen. Ze voelde zich licht als een wiek.
Henri fronste de wenkbrauwen en keek zijn zuster strak-verbaasd in de glansdiepe, violet-zwarte oogen. Hij wou haar wel zoénen!... God, wat een heerlijk-lieve meid. Zonde, doodzonde! Dié kon waarlijk in haar borst vuur dragen zonder de kleeren te branden. Alles zou ze offeren voor den man dien ze eenmaal lief had gekregen. Hij voelde het. En nou dit vrome jodigheidje, dat armtierige manneke zonder beschaving, zonder standing... een niemendalletje!
Raspel: vijl.
Van armen en rijken
19