:286
vroeger tijd zou hij bestikte diplomaten-rokken gedragen hebben, zuchtte Durant. Hij had waaratje manieren van de groote wereld, dat joch van de Nieuwe Heerengracht, met het budget van een klerk!... Maar de knaap blufte niet; sprak nauwelijks over school en glorieuze studie. Hij bracht contrarie met tactvolle gevatheid, zwierig en beminnelijk, telkens Durant's eigen faam en geweldige vakkennis op het tapijt, zonder hinderlijke vleierij. Hij oordeelde behendig, al begreep hij het fijne blijkbaar niet van Durant's hardvochtig atheïsme. Want hij schoor rakelings langs Durant's geruchtmakende en blazerige godloochenarij heen. Durant begreep er niets van. Hoe kon zoo iets bijzonders een zoon zijn van den kunstslijper Sallie Rozenheim, een bijgeloovigen jid, van boord tot schoenen, van kin tot hielen pakslinger?...
Durant zou, zonder veel plichtplegingen, Henri opleiden. Alweer zei Durant tot zichzelf, dat hij toch geen gevoellooze menschenhater was, ondanks al zijn godloochenarij en ondanks den wereldoorlog.
Durant schudde zijn woeste haren, die dooreen-warden als wilde kervel.
Henri liet het koud, wat voor verdord-philo-sophische liefhebberijen zijn toekomstige patroon koesterde en kruifde, als hij de ,,zaak" maar grondig leerde. Die zelf-benevelende schijn-diepzinnigheid, dat kinderachtige gezwam over natuur en God, onsterfelijkheid en Hiernamaals, die zieke driftbevrediging nam hij dan wel, voorloopig, op den koop toe. In Henri, den Jood, schoon ondogmatisch, bleef het eeuwige, onwrikkelijke geloof aan het Opperwezen, dat alles vermocht en voor ieder schepsel een Geheimenis bleef. Hij rilde van Durant's kille theorieën over hersens-materie en van de leer, die iedere geestelijke aandrift tot zinnelijke gewaarwording verlaagde en zichzelf ten spot stelde. Toch bleef Henri nog passief. Later, wanneer Henri eenmaal in de zaak ingeworteld was, zou hij zijn patroon wel mooris leeren en misschien zelfs schuldbewustzijn bij hem wekken...
Na eenige jaren werd Henri in de zaak, Durant's