:267
der vadsig-liefdadige en humanitaire Joden; eigenlijk luidruchtige slempers. Robert zwaaide, spottend in zichzelf, met schijnbedreiging, den tomahawk boven hun halfkale of dichtbegroeide kruinen, dat ze inéénkrompen van schrik. Hij genoot van hun kruiperigen angst en benardheid. Een verfijnde risjisch-geest hitste hem aan. Ze grepen bij Robert in een naaldenkoker vol spitse, stalen angeltjes. Alleen al de toon, waarop hij het woord ״Synagoge" uitsprak, vrat verbeten geloofsspot.
Ook Henri s kinderen kon Robert met een wreed-begenadigd nijd-lachje dat geen lachje was, te woord staan en met zekere cynische scherpte, ontnuchterend het versche groen van hun jeugd, krenken en uiteen-scheuren. Rozenheim mocht het daarom alleen geen onbeschaamdheid noemen, wijl het zoo koel, rustig en beheerscht-hoffelijk geschiedde, — gemompel in een philosophen-baard, ■— en juist het tegenovergestelde van geprikkelden trots scheen. Het wankelde tusschen veinzen en verdacht-brutaal schertsen. Soms smeet Van Nienhuizen er zelfs, in verdwazing, boosaardige geestigheden tusschen; uitzagingen van venijn, die Henri nog dagen lang nakwelden. Zoo was Van Nienhuizen: een schamele vraat, een zich uithongerende gulzigaard, een hoffelijke lomperd, een zichzelf op den achtergrond trekkend kruisgebint...
In gesprekken over zekere onderwerpen, bemerkte Henri, door het afgemetene en zelfverdrongene, den pijnlijken strijd, de obcessie naar beheersching, telkens wanneer Robert het heet-winzuchtige, sluwe, klinkend-luidruchtige en schitter grage der Joden wou geeselen; hen begeerde voor te stellen als schepselen, die in hoofdzaak voor praal, gokkerij, kaartspel; voor geldverdienen, voor room en zoeten wijn en pleizier leefden. Een worsteling om beheersching, die de jongen losliet zoodra hij zelfstandig tegen minderen, vrij, met ongebonden handen kon optreden en dan bijna schimpend, met neergeslagen oogen, Joodsche inhaligheid hekelde, sluwelijk toch, zónder het Jodendom te noemen.
Van Nienhuizen was een te schraal-fanatisch, zich
Risjisch: verkapte boosaardigheid tegen Joden.