:263
danken had; zijn positie, zijn geluk, zijn verblindende kennis. Er zou een tijd komen, dat diezelfde Van Nienhuizen alles dom-rampzalig te loochenen kwam, in felle onbestendigheid van zijn na-wroetend wezen, wanneer hij maar eenmaal zich zijn absolute onmisbaarheid en steeds-groeiende macht in de firma bewust werd; onafhankelijk van Rozenheim's erkenningen. Dan zou de harteloos-kille egoïst, — zelfbeschuldigingen kwelden hem nimmer, — de vam-pyrische opslurper van warmbloedig-gegeven vriendschapsdaden en liefde-overgave, in Hénri juist egoïsme gaan zoeken en vinden. Hij zou misschien Rozenheim's gulste en zuiverste handelingen ver-valschen, belasteren of heimelijk verdacht maken, als ijdele zelfvoldaanheid. Hij zou het doen, met het eigenaardige, uiterst-geslepene van zijn, ten deele toch door zieken trots misvormden geest, die hem kenmerkte; die Henri, in stilte en zonder het ooit anderen te bekennen, bijwijlen zoo kon beklemmen. Rozenheim zag zich dan loopen in een stikdonkere kamer, waarin ergens op een bed, een pas-gestorvene staarde, met een doode toekomst in den glazigen blik...
Van Nienhuizen zou al deze dingen doen, allereerst om nooddruft van eigen dankbaarheid daarmee in zichzelf te verzwakken. Hij zou, in van-binnen-door-vretende, innerlijk-brandende ijdelheid van den gelukzoeker, zijn verkregen kennis, inzicht en positie gaan beschouwen als iets dat hem gansch-en-al toekwam.
Robert's heimelijkste aard, — omfloerst als avondduisternis, — kreeg d'overhand; openbaarde zich in verbeten, doch bezeten trots en jaloersche verachting. Trots vooral op eigen kennis en aanleg; minachting tegenover dengene die het waagde hem geholpen te hebben. En tóch naar het uiterlijke, kiesch, teruggetrokken, bescheiden, koud en ongenakelijk.
Henri had zijn leven lang, smadelijke en schandvlekkende ondankbaarheid, van de meesten die hij overstelpte met toomelooze goedheid, vriendschap en hulp, ondervonden. Telkens kwam, even erna, als een helsche trompetstoot die hem woest opschrikte: de