:264
draai; belaging en belastering. Waarom ook niet van Van Nienhuizen? Deze Van Nienhuizen had een vermetel, een wreed zelfgevoel, maar wist nü nog, al naar de gelegenheid, zich te vermaskeren en op den achtergrond te dringen. Er bleef altijd iets, met stokkenden adem, wégwijken in zijn wezen. Henri greep naar hem, zooals hij in een voorhang tastte en dan een schram van een verborgen, scherpen haak opliep. Er was iets, dat de vingertoppen zijdezacht, streeiend raakten, maar tegelijk zich verplooide en in het leege verdook. Het schéén bedrog van gezicht en ronddwalende handen; een leugen van de ruimte. Het was bedriegende trouweloosheid van een menschelijk-verbitterde ziel.
Van Nienhuizen haatte als smaad, als een slag in het gelaat, de gedachte, dat hij alléén door Rozen-heim s goedheid en grillige oorspronkelijkheid-in-zich-geheel-geven, er zóó bovenop was gegooid. Robert's wezen geleek avondstilte; Rozenheim ontwaakte als een zonnemorgen... Moest hij nu aan de felle kracht van het licht zijn schaduwstilte offeren? En hijzelf dan, met zijn eigen kennis, eigen gaven, eigen hevige inspanningen en werkploeteringen? Telden die niet mee? En al de zacht- of hard-kwellende tegenslagen, die hij in het stuursche en nukkige leven overwonnen had? Natuurlijk moest Van Nienhuizen nü nog dankbaarheid veinzen voor zijn patroon; voor Rozenheim's fabelachtige, bijna snorkende loyaliteit en kunstzinnig flair, zijn roekeloos-eerlijke en opene natuur, al jeukte ook in zijn aderen, als groot zakenman, het misleidende cliplomatenbloed. Maar Henri ontdekte in Robert's koele, bijna hoonende, gereserveerde houding, de wangestalte van afgunst en gekrenktheid. Van Nienhuizen zou ééns ruzie zoeken, om gronden te te vinden tot onmiddellijke breuk. Henri voelde het; er brandde droeve wraakzucht in dezen koelen, jongen kerel, die zóó scherp zelfvertoon tegelijk te uiten en te onderdrukken wist, als een overgroei van verbittering, uit eigen zieke gal ontstaan. Robert ging nu, andersom, berekenen hoe onmisbaar hij voor Henri's zaak was geworden; dat Rozenheim eigenlijk niet meer buiten