:262
positie had mogelijk gemaakt. Robert bleek, in de verborgen werking van zijn gesloten natuur, een stille, wrange egoïst van schijn-bezadigdheid, die Rozenheim bij anderen al misschien heimelijk waagde voor te stellen als een luidruchtigen en vitalen gulzigaard. Al kwam Henri ook honderdmaal Van Nienhuizen's omstandigheden, om zoo te zeggen, léven in blazen, wat beteekende al die Joodsche, monstrueuze grootmoedigheid eigenlijk? Immers door eigen kracht en energie en aanpassing, was Robert Van Nienhuizen geworden wie hij nü was? Henri besefte het ieder uur dieper, doormengd van vervreemding en walg:... deze man kon den Jood, den anderen mensch niet innig-erkentelijk zijn voor hulp en weldaad. Robert aanvaardde hulp of weldaad, in een soort van tragische onderworpenheid, denigreerend, maar hij voelde er zich eigenlijk brandend en hatend, van binnen door gekrenkt. Hij ging den mensch, die hem de weldaden bewees, — waarnaar hij nochtans stuk voor stuk greep, — wraakgiftig en heimelijk verafschuwen. Hij verachtte grimmig den feestdos van Joodsche menschelijkheid en de lawaai-ratels van hun philantropie. Dankgevoel wroette laf in hem na, als een geheimzinnige hartstocht, een duistere gloed, waarachter zekere vage smartelust om eigen Ik verteerde. Zijn dank was ondank! Henri zag het nu klaar,... Van Nienhuizen ging gebukt onder goedheid van zijn weldoener. Zijn stil-ziedende trots werd er door geknakt. Het stéénige van zijn wezen bleef alleen over. Hij wou alle dankbaarheid schaamvol in zichzelf uitwisscnen. Rozenheim kon Robert echter niet van materieele begeerigheid beschuldigen, wijl Van Nienhuizen zichzelf nooit vooruitdrong. Toch moest hij door zijn gluiperige natuur de wraakgierig-ondankbare worden en tégen den weldoener, als het niet anders ging, er oorzaken voor uit den grond stampen. Niet om achteruitzetting, maar uit wrok dät hij achteruitgezet kón worden en uit wrok dät hij verplichtingen had. Nü nog erkende Van Nienhuizen vaag, troosteloos, misleidend, — het essentiééle van Henri's hulp vaak verzwijgend, -— dat hij alles schier aan Rozenheim te