:258
den iedere verhouding... Jij magon... ikke óók magon! Een Jood, in betrekking bij een Jood, hoe verheven of machtig ook,voelde zich van de familie. Jij aristocraat-ikke óók aristocraat!... Joden erkenden geen verplichtingen, geen stands-verschillen. Zij wrongen, zij kronkelden zich eerzuchtig overal in en tusschen. Zij luisterden af, bespiedden. De patroon kreet, zij schreeuwden nog rauwer. Een ziekelijke bemoeizucht, eigengereidheid en drang tot blind verzet, brachten hen tot onverdragelijke gemeenzaamheid en anarchie. Werd Henri driftig, door dwarsen of verkeerden gang van zaken,... zij werden er onstuimiger en weerbarstiger tegenin. Ze waren allemaal immers uit het zaad van Abraham! Zij wierpen lonkjes naar een ieder. Ze trouwden opgewonden méé met dochters of zoons. Ze belasterden méé met vrienden en kennissen; ze verdienden opgewonden méé met chef en familie. Ze vochten, keven heetbloedig en bekeken de gojiem als trage domkoppen en achterlijke listiglingen. Ze berekenden, in stilte, wat hij, Henri, bezat; wat hij won, wat hij verloor, wat hij verteerde. Ze waren in hun cijferen, óf dol-roekeloos, grootsprakig, naïef-fantas-tisch, óf van een tergende, vadsige voorzichtigheid. Ze schimpten en verhaspelden alles met snerpenden spot, door opvliegendheid en saamhoorigheid aangehitst. Toch beoorloogden ze elkaar met argwanenden hartstocht en vernieldrift. En al kon Henri met verrukking hun geweerhaakten geest, het vliegensvlugge, gevatte, slagvaardige, en hun vriendschappelijke meewarigheid buiten zaken, bewonderen, in zaken bleven ze, juist door hun rasechte eigenschappen, door hun schrankelen, bij een anderen Jood in betrekking, onhandelbaar.
Van Nienhuizen vond Henri een koelen, correcten, kieschen en zeldzaam-bekwamen Christen jongeman, met een ondoorgrondelijk-gesloten karakter. Henri zag Robert bijna nooit lachen, en dat voor een vent van éven dertig! Wonderlijk-snel had deze lenige kerel zich, van onovertrefbaar klein-geslepen-sorteerder opgewerkt tot den hoogsten rang van alles-sorteerder