:246
groene deurtjes, eng, kinderachtig als een speelgoedstadje opgebouwd en tentoongesteld.
Uit het kajuitachtig raampje van een kuif gevel, stak een hel-blonae meid haar lichtzinnige tronie boven een droogrek. Ze lalde iets naar Dennie en Taap, die zij Lucas en Jan Zoet schold, van de Oudezijdskolk. Zeep moest ze hebben...
— Juffrouw kit... zeep? Al was je als roet, as nikker Moriaan... ik maak je schroon... Mijn zeep ruik
lekkerder as Boldoot...... Ziehier freule Nep...... 'n
spiksplinternuwe doos mit roüze kant, voor één kwartje!... Je ruik d'r alles an... Kers en Paasch... en de Ouwemannehuispoort en 't Sephiëplein bij rege!... Hier kê je drek mit modder schroonwassche, bij Jaap, bij Dennie... We binne as 'n vliegende muur! Hier hê je kouse, echte vieldekos!... Kos nie viel!...
De blonde met de bolronde bloos-koonen als van een minnemoer, holde naar beneden en lachte wulpsch naar haar Lucas en Jan Zoet. Drie doozen greep ze vast. Ze lachte met gekke lichaams-verwringingen toen ze kocht. Ze lachte gillend en gierend, toen ze betaalde. Ze lachte toen ze geld terugkreeg. Ze gierde en wrong haar bovenlijf om, toen Jaap haar onder de kin wou strijken...
— Noü snoeshaan, frommes...... nouja...... dolde
Jaap,... jij weet óók van de moord!...
— Enóf,...... beaamde zij...... Ik bin gebore op de
Botermart en gedoopt mit 'n winkelhaak in me jurk.
— Jij galgelapper!... schold in-schijn-ontzet Jaap... sjat me wat!
In de Korte Koningstraat wipte Dennie het kniezige en mistige achtererfje ״De Bremertuin" in. De ״Klein Bijenkorf" kon niet door de sombere spleetgang, met haar vuil-uitgekuilde muren.
Dennie zong maar wat, terwijl Jaap buiten de kar bewaakte. Vrouwtjes in bleek-paarse en zwarte omslagdoeken, kwamen schichtig koekeloeren en doken uit de hofjesachtige krotjes, met gezichten alsof er een wonder geschiedde. Want hier drong nooit een koopman door. Een wirwar van verbrokkelde zijtrapjes en holletjes, geleek deze armzalige ״tuin", waar niets
Vieldekos: fil d'Ecosse. — Sjat me wat: hindert me wat.