:247
anders groeide dan morsige stukjes karpet, stinkende kisten en een paar kaduke stoeltjes op overplaste hobbelkeien, De krot-vrouwtjes konkelden wat saam en Dennie deed zijn speelsch, luimig en opwekkend woord. Wat ze wouen?...
■—■ Toremeters, beste buurtjes... niks as doodgewone toremeters voor 't nuuwste danshotel Carleton!......
In halve diepte, achter duistere trapjes, stond tegen een mooi bruin deurtje, een snibbig wijf te roepen. Ze scheen het armelijke buren-achtererfjes-deel te negeeren. Ze behoorde bij de ״aanzienlijke ' hoveniers van den ״Bremertuin" in de Korte Koningstraat. Zij wou van ״koopman" veters en een schaar, maar schier voor niets.
Dennie viel uit:
— Hoor es mademezelle Bremertuin... an u verkoop ik niet... U mot worde angevocht!... Ikke speel mit u geen pandverbeure!... U dingt an 'n arm man af, of ie ze waar gestole heb... U bint 'n keikop, 'n kladsteen, 'n vrouwtjes-putter!... Begiet nou zeivers maar de blommetjes van je Bremertuin, mit rotte kool en kunsmes... addie!...
De ״arme" helft van het tuintje gierde van pret. Nüdig mepte de ״aanzienlijke" het bruine deurtje achter haar hielen dicht.
Uit een gang van den ״Bremertuin", naast het bruine deurtje, klonk een pieperig geknars als van trein-remblokken die heet-sissend tegen wielen klemmen. Jaap, tartend, zong na, vol van stem:
— Ponte, sloepe, schruite, brugge, kaaieen affuite...
geld en kogels...... afijn...... 't is toch reuzel van 't
spek!......
Dien dag zwierven de knapen nog door Weesper-straat, en ״namen" al de zijgrachten.
Jaap, die van kindsbeen af den Jodenhoek had ingeademd, voelde onmiddellijk het eigenaardige verschil tusschen intimiteit van Breestraat, Uilenburg, Hout-coopersdwarsstraat en die van Weesperstraat, met al haar spiegelend-breede zijgrachten. Er hing in zulke Jodenbuurten een zwaardere spheer. Er trilde een heel
Angevocht: aangekwast.