245
brulde de ״Tijerger". Hij sprong over hijschkatrollen, hangkabels en geteerde puibalken. Breed blokte oud „Scnuttenburgh ', met spil en rad van zijn hooge windas.
Van Korte Dijkstraat en Sleepersteeg trok volk bij. Groezelige draairamen en kalfjes sneden het licht traag uit en dubbeldeurtjes, overdwars en verticaal gespleten, klapten met dorpsachtigen geluidsval open en dicht, op schots-en-scheeve stoepen. Uit gek-grillige grachtbochtjes en inspringhoeken, uit smalle sloppen en kronkelgangen drongen al meer nieuwsgierigen op. Kale winterhoornen sprietelden wat dood-brons tak-gewirwar om dakgevels. Uit de herberg „De groote slok" zwaaiden lallende kerels aan. Vrouwen, uit de Kleersloot, gelokt door Jaap's mooie, doorbarnde zangstem en Dennie's ventroep, naderden monter en rap, en kinderen bonkerden van de stikduistere, steile trapjes, alsof er louter dagklaar zonlicht scheen. De Kleersloot sprong vooruit in de Kromboomsloot, met een vaal-zandsteenen muur als een schietschans doorboord, waarover mysterieuze takkenschaduwen wegschoven. De scheeve straat lei te wankelen, als dronken in den winterdag.
De ventersstemmen zongen en klonken luid en blij, in het stille wijkje, met zijn geheimzinnig-halfdonkere water-spiegelingen. Heel de rood- en grijsdakige Kromboomsloot zwenkte in verbijsterende zigzags tot Rechtboomsloot door. Vijf diep-dalende en hoog-stijgende grachtjes achter elkaar, dwars-overboogd door oploopende bruggetjes, kronkelden zich om eigen walletjes en gek-smalle kaaitjes. De boomen schenen dan in het walletjes-diep te groeien, dan, bij een zwenking van huizen en oevertjes, er uit te voorschijn te springen. Elk grachtje werd door grilligen zwaai weer zijn eigen front; scheen sloot en kaai af te sluiten. Plots dook een nieuw steenen dwars-buik-bruggetje naar voren, de ijzeren, groen-geschilderde leuningen versch in de verf, en opende zich weer een trillend verschiet op nieuwe geveltjes en nieuwe bogen, die ook in zigzag versprongen, weerszij tusschen hellende huizen, tusschen intiem-smalle stoepjes,