244
Mokum Mollof...... anders krijge jullie las mit de
pelizie en de spuwers!... Zale te huur in Bellewu!...
Dennie hielp mee:
— Wij Jidde... wij hebbe kleefdeeg en vergunning Er zit zwieping in ons! We binne gaaf en gaar!... Maar jullie niet!... We binne de uitverkorene mit 'n klep-pertje... Jullie óók... as je kóópt!... Dan mag je zik desnoods 'n poot afdringe en zegge dat je Sampie hiet en serrore bint... en lid van de Diëmantbeurs op 't Weesperplein!...
Heel de stil-sleetsche Kromboomsloot-grachtjes weergalmden van het handels-stemmenrumoer der jolige knapen. Dwarse bruggetjes dampten boven het smalle, diepe water, waarin een schuit gemeerd lag. Hellende huisjes met verminkte of uitgerekte halsjes en lage verdieping-woningen, nauw en scheefgezakt, zetten de kromme elleboogjes in de zij om overeind te blijven. Oude topgeveltjes keken schuw het schichtige Decemberlicht in. Pothuizekens honkten knus-intiem saam boven binnen-kozijntjes. Grappig-wankel helden mengelgele deurposten en onderpui'tjes op wrakke balken naar elkaar over, in kille lucht-stilte. Oude, kromme schoorsteentjes rookten zacht en gezellig. Afgesleten balusters van groen-ijzeren brugleuninkjes stonden beschermend-lief langs diepe, groen-brakke wallekantjes. Tusschen de knuskleine huizekens en pui'tjes, verrezen oud-stijlvolle tabaks- en goederen-pakhuizen, zich stoer oprichtend naast de stramme geveltjes, die rheumatisch ineenkrompen. Een zwaarlijvig-korte electrische meniezuil schoot een moordenaarsrood in de stemmige, stille grauwte van de grachtjes en kaai'tjes. Het Sperwer-pakhuis met zijn mooie, hoog-ronde deuren rees er als een hofpand bovenuit. Het oud-Amsterdamsche leven klauterde hier nog langs de getuit-gevelde pakhuizen of kroop in de kelders, nederig en verzonken, maar verscheen ook bevallig-argeloos, tegen baksteen, tegen muren en huizen, in den vorm van cierlijke gevelsteenen. Voor de R. K. ״Sint Anthoniesschool" blaatte beverig de „Lam". Voor een tabaks-pakhuis, vlak bij de Korte Dijkstraat,
Serrore: deftig heer.