241
hachie. En Dennie voelde ook, dat één Jood moest vechten voor twéé! Dat was pas broederschap...
Paardengetrappel van vrachtkarren klakkerde op de stille Oudeschans-keien. Een sleeper, met wreed-rood, verzopen gezicht stapte af, maar werd manmoedig-oolijk gepraaid door Dennie. Jaap bewerkte hem met halt-verborgen scherts, onbevreesd voor zijn grimmige weigering. Eerst schold hij:
— Wat mot je Jood?... Wou je me okketaaie?
Later kocht hij goedig allerlei... tot zelfs zwarte
kriel-rozijntjes voor zijn kinderen, uit de ,,reclame-bazar", in een ouden hoedendoos.
Toen ze de breed-steenen brug over de Oudeschans, met haar lomp-grauwe pijlers, waren opgereden, wilde Jaap de enge, roezemoezige Koningstraat in, maar Dennie eerst nog even naar de Oude en Kromme Waal.
— Daar is niks...
-— Juist daarom.
— Stik!
— Jij of ik?
Nu stonden ze vlak onder den Montelbaantoren, die dichtbij, massief op den zwaar-baksteenen romp verrees en zijn hooge spits toéscherpte in het ijl-grijze van den wijden hemel.
Bij den rondingsbeer, aan den voet, in het water, groeide mos. Breed-ramig blok-wachthuis en steiger werden telkens klotsend met schuim overspat. Montel-baan's blinde vensternissen en lichtkozijnen verstrakten de romplijn van het bogen-profiel. Naar de Oudeschans, — de oude Montelbaankade, — vertoonde de toren een vierkantachtig-steenen front; naar de Nieuwe Uilenburgerbrug prijkte zijn uitbuilend rondeel en boven deze verdieping rezen veelkantig, uurwerk en ommegangen. Alleen laag, keken verbaasd zolderkleine raam-oogen den donkerend-gebruinden, bak-steenen toren uit. Heel de Oude Waal, Binnenkant, Kalkmarkt en Montelbaansbrug, vereend met breed-uitgezwaaide Oudeschans, schenen saam te ademen onder Mallejapik's trotsch en rustig-schoon gezag. Slank rezen toren, spits en haantje den grijzen hemel
Okketaaien: te weinig teruggeven bij wisselen van geld.
Van armen en rijken 16