242
in en stroef-kort klonk één slag van het klokkespel. Montelbaantoren had geen zingende stem, als de Zuiderreus, de ״Zandtoren", die de „Sinteunis" en hoogste scheepskranen overheerschte...
Tegen scheemring, doodmoe en hongerig reden Jaap en zwerfdriftige Dennie naar honk.
Een zwalkende matroos, smoordronken, zong erbarmelijk naar den donkerenden hemel: Janne en Griet al mit de lentarene... Gane na Volewijk heenevare!...
III.
Den volgenden morgen ventten de kramersknapen om den hoek van de Snoekjesgracht hun ,,Klein Bijenkorf" alweer uit, op de Kromboomsloot en bij de ,,waaigaten". Ze verkochten slag op slag, hier wat, daar wat. Ze doken af in stikdonkere kelders, beklauterden glibberige, gebroken stoepen. Ze speurden in gangen en stegen met blindloopende achteruitjes en verkrabbelde muren, als getand metselwerk. Op een zijtrapje, boven een gebocheld pothuis, stonden drie hei-opgedirkte atelier-meisjes te luisteren met gretige ooren.
Dennie, guitig, zat vol kwinkslagen. Zijn oude standwerkers-geest herleefde. Zangerig riep hij:
— We hebbe de rijkste cliëteele uit de Hofjes van Mokum, mit onze dagelijksche buurthandel onder de kreupele bedelaars... We bevlijtige ons te bediene, schroenmakers, klokkemakers, wagemakers en herriemakers mit gebroke ruggebeene...... Alles pijnlooze
behandeling!... We verkoope an reizegers in spuitwater, in sterkwater, in natwater, in hartwater... We handele in locomobiele, in voor- en achterwiele, in
schrellevischkuitjes en geraniums....... in schruiers en
borstels, in boenders en in de honderdduizend!......