198
alles voorzien en dol-goedkoop: een warenhuisje op eigen luiken!
Saartje volgde zijn gulzigen blik naar het achterste duister, waar fladders behangsel in voehtweeksels te verrotten hingen en het vluchtig naar gemalen koffie rook. Ze begreep. Maar eerst treuzelde ze nog wat en schudde haar kroeskop plagend boven de bakpannen. Onverwachts vroeg ze Jaap, of hij loterijbriefjes had, voor haar en haar man...
— Nee bijdehandje,... ik breng alleenig de honderdduizend of niks!
Saartje gierde, wreef woest haar kroeskop en jeukte ruw haar roodgetruiden rug met de bakvork. Toen schmeigelde haar kir-stem:
— Héé Jaap... boks veur mijn óók ereisies?...
Nu lachte lenige Jaap...
— Mit je man?... Mot ik 'm attelemiese slage mit 'n besteéstertje?...
Saartje schrok hevig en zwaaide haar prikvork op, dat de olie uitspatte.
— Addesjim... houw óp manskerel!... Efsjer jou... Hij steekt mijn in brand!... Hij is zoo jeloersch as 'n kater!...
Duif trilde van woede. Haar klieriae oogen traanden hevig. Al die malle scherts en labbekakkerij van haar getrouwde zuster... noh! Wat had zij d'r an?...
Weer beloerde Saartje, onder het virtuoos links en rechts bakken, Jaap's blik naar de behangsel-fladders. Toen, onverhoeds viel ze uit:
— Hier, gunter... tien stoffers heb ikke veur je...
spiksplinternieuw...... maar...... maar zing wat voor
ons... je weet wel... zoo lekker...
Duifje sprong haastig bij; liet een betaal-klantje zelfs glippen; stond een ander amper te woord.
— En ikke... viér nieuwe panne... geregeld pas gegote... daar... in de hoek!
Jaap hoefde niet onwennig af te dingen. Wat hij, na venterij in de buiten-kwartieren, de twee verzotte zusters betaalde, was altijd goed.
Saartje liet heet sissen oliekoeken en mootjes, en keerde met kromme prikvork, de gebakken stokvisch-
Luiken: planken, waar de negotie op ligt. — Attelemiese: dood, — Besteéstertje: ouderwetsche paraplu. — Efser jou: misschien ja.