173
vertegenwoordigde, — zijn zaken-romantiek, — kocht veel kunst, antiek en porcelein, met een fabelachtig flair en een nooit-weifelende intuïtie. Henri Rozenheim raadde meer dan hij wist of onderscheidde, maar zoo verbluffend-suggestief deed hij den baarlijken koop, dat zijn makelaars-met-confectie-beschaving, die er antiquarisch alles van meenden te weten, alles van dachten te onderscheiden, er paf bij gaapten en in eerbied voor zulk een geniaal rlair, het hoofd bogen.
Invouwbare kapstokken, uitgedoofde zoeklichten.......
zoo had Leo ze gedoopt.
Toch wilde Henri naar zijn zwijgzamen zoon Uriël luisteren, toen er eens op een veiling, Breitner's op den kop te tikken vielen.
Naar buiten overdreven dwepen, zelfs met het allerschoonste in kunst, lag niet in Uriël's stille natuur. Maar voor Breitner's werk had hij, misschien ook door zekere visioenaire zielsverwantschap, een ontroerde bewondering, die hij alleen tegenover zijn moeder vól uitte. Drie, in zijn jonge leven, gaven hem een vreemd-zalig, een onuitsprekelijk geluk. Het diepst: Rembrandt. Maar ook Breitner en Breêro. Zijn lichte oogen kregen azuurglans als hij over hen sprak...
Uriël wist, dat hij niet achtereen hoefde af te stu-deeren; zich niet noodig had los te scheuren van zijn ״liefhebberijen". Vader maakte hem de Academische studie zoo gemakkelijk mogelijk. Juist wijl Uriël nooit zijn tijd radbraakte in roofholen of cabarets. Uriël's zwerfdriftig en ongekrenkt karakter, bracht hem altijd naar de oude stad en in zijn lectuur, naar historische volken en hun natuurpoëzie. Hij hield van het zuivere buitenleven evenveel als van de stad. Niet van de broeisch-erotische vermaak-stad, met haar moordenden lichtpronk en haar schelle reclame-verblindingen, die de avondluchten droef deden bezwijken. Hij hield van de stillere, dramatische levensspheer der groote steden; van de schaduw-geheimenissen, die kelders tot spelonken ómtooverden. Van de grachten en hun fonkelende of stille wateren, waaroverheen het klokkenspel van nachtelijke torens zong.